CategorieDe Wonderton

Betrapt

Wij hebben een geweldige tuin! Lekker groot, diep en na de uitbouw van een complete woon- en slaapkamer nog heel veel tuin over! We hebben een echte privé tuin. Je kan gerust in je nakie rondlopen, niemand die het ziet. We hebben een 2-onder-1 kap en de buren aan de andere kant hebben een vrijstaand huis met enorme tuinen en daarom hebben we van beide kanten geen last. Overal waar je kijkt is het groen. Geen beton maar bomen, zoveel dat het een bostuin is. Daar komen ook bosbeesten op af. Uilen, eekhoorns, spechten en Vlaamse gaaien zijn een kleine greep Maar ook ander lopend spul. En die hebben we zojuist betrapt. Luister maar…..

De sleutel -het slot-

het slot

Daar is het weer! Dat geluid. Ik sper mijn ogen wijd open en spits mijn oren. Het is inmiddels weer ochtend. Ik werd gewekt door de roep van die uil die mij lijkt te achtervolgen. Of achtervolg ik de uil? Het is mij niet helemaal duidelijk.

Als ik om me heen kijk zie ik de wereld beneden mij en herinner ik me dat ik hier gister strandde. Met mijn voeten stram en pijnlijk kruip ik naar de rand van de afgrond en ga ik recht zitten, mijn benen bungelen naar beneden. Als ik de afgrond in kijk bedenk ik me dat dit mij helemaal niet beangstigd. Ik heb nooit hoogtevrees gehad, maar de moed om werkelijk op de rand van zo een afgrond te gaan zitten met mijn benen de diepte in bungelend heeft me altijd ontbroken. Nu doet het me niks. Geen angst voor de diepte. Geen angst voor de pijn. Gewoon niks.

Terwijl ik me daar over verbaas klinkt het weer hard en schel. Die uil begint me nu toch langzaam aan te irriteren. Ik kijk in de richting van het geluid. Ik zie wel wat vogels vliegen maar er zit geen uil bij. Dan nog een keer, nu dichterbij, weer die roep! Als ik in de richting van het geluid kijk zie ik in een flits iets naderen. In mijn poging het projectiel te ontwijken klap ik achterover in het gras. Ik zie nog net wat bruine en blauwe veren.

Mijn verbazing is nog niet helemaal gezakt als ik een schaterlach achter mij hoor. Dat klinkt heel menselijk. Ik was ervan overtuigd dat ik hier alleen was. Blijkbaar had ik dat mis.
Als ik recht ga zitten en achter mij kijk zie ik een gaai die vlakbij op het gras is gaan zitten Die uil. Het was geen uil…
Gaaien zijn net papegaaien. Ze doen andere vogels na en deze vond het blijkbaar grappig mij te doen geloven dat zij een uil was.
Nog naar de gaai kijkende zie ik in mijn ooghoek iets dichterbij komen. Als ik opkijk zie ik een man. Hij loopt niet, maar verplaatst zich zitten. Zittend en lachend. Schuddend van het lachen.

Inmiddels moet ik er zelf ook om lachen. Van alle vreemde zaken die ik de afgelopen tijd ben tegengekomen is deze gaai mij wel heel gewoon. Ik ben gek op kraaien en kraaiachtigen. De gaai hoort daar ook zeker bij en ik ken zijn trucjes, maar nu had deze me toch bij de neus.

De man die inmiddels naast mij zit, in een flitse groene rolstoel met een paar stevige banden, opent het gesprek met: ‘Wat leuk dat je ook hier bent! Kennen wij elkaar ergens van? Ben jij ook betoverd door die gemene heks? Wat hebben we gemeen?’Jeetje, dat zijn ineens heel veel vragen. Het enige dat ik uit weet te brengen is ‘ik heb geen idee’.
De man kijkt me wat verbaasd aan. Ik bedenk me dat ik met dat ene antwoord er niet vanaf kom, al lijkt het al zijn vragen te beantwoorden, dus licht ik mijn woorden toe.

Ik weet niet of ik je ken. Je komt me bekent voor, maar ik heb je nog nooit gezien geloof ik. Van een gemene heks weet ik niks. Ik vond een sleutel in mijn tuin. De sleutel bezorgde me veel pijn, maar zonder kon ik niet meer zijn. Ik volgde de weg van de sleutel en vond een deur. Ik opende de deur en kwam in een totaal nieuwe wereld terecht. Ik heb me verwonderd over de dieren en de planten. ’s Avonds tuurde ik naar de sterren. Ondanks de pijn is de wereld nog even mooi. Ik voel me vol leven en nieuwsgierigheid. Ik wil ontdekken en verkennen. Hier voel ik mij thuis.

De man glimlacht en zegt ‘Ik rol hier al een tijdje rond. Een gemene heks betoverde mij. Ze gaf me pijn en nog veel meer. Ze dacht dat ze met haar betovering mijn vreugde breken kon. Maar dat lukte haar niet. Ook ik vond een sleutel. De sleutel nam mijn pijn niet weg. Het opende wel een deur. De deur die ook jij opende, de poort naar verwondering. En nu ben ik hier al een tijdje, met alle lieve mensen om mij heen, maar ik mis een betoverd wondermaatje. Er zijn er meer zoals wij, betoverd. Maar bij hen is de betovering volledig aangeslagen. Ze sjokken door het leven zonder verwondering of vreugde.’

Mijn hoofd tolt een beetje, betovering? Gemene heks? Dat soort dingen horen toch in sprookjesboeken? Ik ben hier veel te nuchter voor. Ik kijk nog eens goed om me heen. Ineens zie ik het. Ik ben thuis. Gewoon waar ik zijn moet met alle mooie mensen om mij heen. En tegelijkertijd bevind in me in een wereld die zij niet kennen. Zou dat de betovering zijn waarover hij spreekt?

Ik denk dat enige verbazing van mijn gezicht af te lezen valt. Dus vult hij zijn verhaal aan met: ‘ Jij lijkt meer zoals mij. Betoverd, maar toch het verwonderen niet verleert. Jij loopt nieuwsgierig door deze wereld van wonderen. Je denkt na, leest en vraagt net als ik. Jij bent betoverd, anders zou je hier niet zijn, maar je bent je verwondering niet verloren.’

Ik heb geen heks gezien, tenminste dat denk ik. Die rare sleutel heeft wel iets met me gedaan. Misschien hangt mijn betovering samen met het vinden van de sleutel en heb ik daarom geen heks gezien. Ineens vraag ik me af of mijn betovering mijn leven verrijkt heeft.

Nog voordat ik daar een antwoord op bedenken kan ratelt de man verder. ‘Ik ben Paul trouwens. Ik woon samen met mijn vrouw en drie vrolijke katten ergens in het oosten des lands. Ik denk dat wij het best goed vinden kunnen.’ Terwijl hij dat zegt steekt hij zijn rechterhand naar mij uit. Het is duidelijk dat hij de mijne schudde wil. In zijn hand zie ik een afdruk. Even kijk ik naar de afdruk in mijn eigen hand en denk aan de betovering waar hij over sprak. Die heks die ons beiden ongemak bezorgde heeft misschien toch iets goed gedaan.
Ik twijfel niet en druk mijn hand in de zijne. Ik ben Rosalie. ‘Hey Rosalie, laten we vrienden worden.’ Stelt Paul zonder twijfel voor. ‘Ja, laten we dat doen’ antwoord ik…

<Hoofstuk 14

De sleutel -14-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Als ik weer wakker wordt zijn de sterren al lang verdwenen. Stijf en stram rek ik mij uit en kijk ik over de vlakte die ik gisteren onder mij liet toen ik een veilig heenkomen zocht in deze boom.
Ik denk nog aan de sterrenhemel die ik gisteravond zag. En aan de voor mij vreemde omgeving waarin ik mij nu bevind. Wat heeft het donkere wezen daar mee te maken en wat voor creaturen leven hier nog meer?

Voordat ik het antwoord op die vraag bedenken kan hoor ik een bekend geluid. De uil is terug! Ze roept luid en duidelijk. Ik kijk om me heen maar kan haar nog steeds nergens ontdekken. Misschien zit ze ergens tussen het hoge gras en kan ik haar daarom niet zien. Ik besluit af te dalen uit mijn boom en mijn weg in de richting van het geluid te vervolgen.

Al bij mijn eerste stappen word mijn realiteit weer pijnlijk duidelijk. Het uit de boom komen was niet eerder zo een uitdaging. De druk van de smalle takken onder mijn voetzolen doen de pijn naar grote hoogten schieten. Ik zet door, ik moet weer uit deze boom geraken. Er zit simpelweg niks anders op. Ik verbijt de pijn en al snel sta ik weer op vaste bodem.

De roep van de uil houdt aan en wanneer ik een paar passen gezet heb tussen het hoge gras steekt er een forse wind op. Even blijf ik staan. Het gras waait alle kanten op en het stof blaast in mijn ogen. Wanneer de wind gaat liggen heeft zich een pad gevormd. Recht voor mij, dwars door het gras. Ik weet even niet goed of ik nu verbaasd ben of juist niet. Het pad lijkt in de richting van de roep te wijzen en dus besluit ik het te volgen.

Als ik een paar honderd meter heb afgelegd valt me ineens op dat het is gestopt. De uil. Ik hoor haar al een tijdje niet meer. Het pad bevindt zich echter nog steeds recht voor mij en lijkt ook niet meer op te gaan in de onoverzichtelijke massa hoog gras. Ik probeer te ontdekken waar ik nu heen ga. In het gras ontdek ik veel kleine en minder kleine insecten. Bidsprinkhanen, mieren, spinnen en spinachtigen kruipen over elkaar heen en langs elkaar door. Met mijn insectenhart kijk ik mijn ogen uit terwijl ik verder loop. Ik heb geen idee waarheen.

Dan, plots, komt er hoorbaar beweging in het gras. Ik stop om goed te kunnen luisteren. Het is nog steeds windstil op deze wederom warme dag. Ik beweeg niet, maar het geluid blijft aanhouden. Sterker nog, het lijkt mijn kant op te komen. Iets anders dan ikzelf of de wind veroorzaakt beweging in het gras. Stokstijf blijf ik staan als het geluid hoorbaar blijft naderen. Wat moet ik doen?

Terwijl ik vragend om me heen kijk zie ik plots voor mij 3 giraffen opdoemen, ze lopen richting het pad en kruisen het uiteindelijk ook. Ze lijken zich niet bewust van mijn aanwezigheid en sjokken rustig verder. Ik geloof mijn ogen niet! Waar komen die nu vandaan? Waar ben ik in hemelsnaam beland? Ik kijk ze een eindje na, niet goed wetende wat ik hiervan denken moet. Uiteindelijk besluit ik verder te lopen. Hier blijven staan heeft weinig zin.

De hele dag ploeter ik over de oneindige grasvlakte. Inmiddels ben ik mijn gevoel voor richting goed kwijt. Ik volg het pad en kijk om me heen. Meer dan hier en daar wat struiken zie ik niet tegen. Het heetst van de dag heb ik gehad. De zon zakt langzaam richting horizon. Ik kijk om me heen op zoek naar wederom een slaapplaats en af en toe bekijk ik de zakkende zon. Als hij ondergaat is het stikdonker, de maanloze nacht toont haar velen constellaties, maar die geven niet voldoende licht om het donker te verjagen.

Ik overweeg een paar struiken maar dichterbij gekomen doen de lange dorens mij wij weinig behaaglijk aan. Ik besluit nog wat verder te lopen. Wanneer ik, de inmiddels, oranjerode bal laag aan de hemel nogmaals bekijk valt me iets op. Het lijkt wel of daar in de verte het gras stop. Er zijn geen bomen, en geen struiken. De glooiing in het landschap lijkt verdwenen.

Verbaasd besluit ik van het pad te wijken en naar het einde van deze vlakte koers te zetten. Ineens maak ik me niet meer druk over de invallende schemer. Ik wil weten wat daar aan het einde van de vlakte zich bevindt. Een nieuwe wending, een nieuwe wereld? Of gewoon de rand van ons bestaan?

Omdat het langzaamaan door de zakkende zon koeler wordt kan ik meer meters maken. Het lijkt wel of deze richting mij aantrekt. Ondanks de pijn en vermoeidheid zet ik door. Wanneer het einde van de dag lijkt te naderen hoor ik duidelijke een ruisend geluid. Water! Veel water! Ik kijk om mee heen maar zie geen water. Nog nieuwsgieriger zet ik door.

Nu ik nog maar een paar meter van het einde van deze vlakte verwijderd ben zie ik dat de wereld hier niet eindigt. Hij gaat omlaag. Ik nader een afgrond. Wat zal dat te betekenen hebben en wat bevindt zich daar beneden dan?

Eenmaal de afgrond bereikt weet ik niet waar ik kijken moet. Het ruisende water komt van een waterval die zich 100 meter links van mij bevindt en woest naar beneden klettert. Beneden is ook zeker 100 meter ver. Er meandert een rivier door het landschap beneden. Ik zie groen gras, water bomen en struiken. En ik zie dieren. Veel dieren. Ondanks dat alles ver weg is kan ik ze allemaal onderscheiden. Olifanten, giraffes, nijlpaarden op de vlakte. Vogels in de lucht. Papegaaien, kauwtjes en andere kraaiachtigen, meeuwen, parkieten alles lijkt door elkaar te fladderen.

In de bomen zie ik apen, eekhoorns en nog meer vogels. Onder de bomen… onder de bomen zie ik de zwarte schim die ik eerder tegenkwam. Ik schrik ervan. Een enorme zwarte aap die rustig van de bladeren snoept en zich langzaam maar zelfverzekerd voortbeweegt. Een gorilla! Waar ben ik in hemelsnaam beland en hoe kan ik zo ver van huis zijn en toch heel dichtbij?

De lucht is inmiddels diep paars en de zon is achter de horizon verdwenen. De temperatuur is gedaald maar het is nog steeds aangenaam. En daar zit ik dan, aan het einde van die grote vlakte en aan het begin van een nieuwe wereld. Niet meer nagedacht hebbende over een plek om te overnachten laat ik mij achterover vallen in het gras. Kijkend naar de sterren bedenk ik me dat ik geen idee heb waar ik morgen heen moet gaan. Er flitsen allerlei gedachten door mijn hoofd, ik voel mijn oogleden zwaarder worden en uiteindelijk val ik toch weer in slaap.

 

<Hoofdstuk 13.                                                                                                         Het slot>

Wonderwerpgadget..De waterkoker

Wat is dit nu weer? Met deze simpele vraag worden direct 2 dingen uitgelegd. Je kan het internet niet bezoeken of je wordt doodgegooid met gadgets. Alles blinkt, piept en glimt dat een lieve lust is. Maar heb je er echt wat aan? In deze eerste aflevering een gadget dat ik vandaag gekocht heb. De oude was lelijk aan het worden en een nieuwe moest wel meteen aansluiten bij de strakke lijnen van onze nieuwe Krups Nespresso machine. Ik moet eigenlijk de credits aan Maike geven. Zij zag hem en bestelde het direct. En wow, wat is hij mooi, functioneel en functioneel mooi. Superlatieven schieten te kort. 😉 Kijk zelf maar….

Wonderwerpblik op Rhenen 2/3

Ondanks dat ik overtuigd ongelovig ben, doet het klokgelui van een kerktoren in de verte wat met me. Tweede deel van een drieluik over het wonderwerp Rhenen

<Wonderwerpblik op Rhenen 1

 

Wonderwerpblik op Rhenen 1/3

Langzaam, zeer langzaam, edoch gestaag werk ik aan schriftelijke comeback op onze heerlijke verwondersite. Wanneer je deze tekst leest is dat al een toename van enkele duizenden procenten gemeten per woord. Voorwaar een vooruitgang! Het verwonderen gaat gewoon door, dat is sterker dan wat dan ook! Vandaag ben ik met de camera naar mijn Rhenen gegaan en is een lokale verwondering ontstaan. De mooie stad Rhenen aan de Rijn, waar ik geboren en getogen ben! Veel kijkplezier…..

Wonderwerpblik op Rhenen 2>

De sleutel -13-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Als ik omhoog kijk kan ik de blauwe hemel door het lichte bladerdak nu goed zien. Er zitten allerlei dieren in de bomen. Voornamelijk vogels en eekhoorns en kleine apen.
Apen? Waar komen die nu ineens vandaan? Voor het eerst sinds het betreden van deze nieuwe wereld vraag ik mij weer hardop af waar ik nu eigenlijk beland ben. Ik ben duidelijk niet in een dierentuin, maar ook niet in het bos even verderop in ons dorp. Even blijf ik staan kijken naar de vrolijk slingerende lenige wezens. Dan besluit ik door te lopen, verder richting het licht.

Bomen maken langzaam plaats voor struiken en struiken verworden tot gras. Ineens sta ik op een vlakte. Zo ver ik kijken kan is er gras met hier en daar een verdwaalde boom of kleine struik. Nu weet ik zeker dat ik me niet meer in mijn achtertuin bevind. Het bos dat ik nu achter mij laat was gaan voelen als een comfortabele veilige jas. Maar deze vlakte is voor mij nieuw. Het hoge gras biedt wellicht enig bescherming maar ontsnappen aan de felle zon kan ik hier niet meer.

In de verte zie ik een grote oude boom staan. Ik besluit er heen te lopen om daar een goede plek te vinden om te overnachten. De boom geeft me schaduw en beschermt me tegen mogelijke andere wezens. Als ik er heen loop zie ik dat er verder niet veel te vinden is bij deze boom. Hoe ver ik ook tuur, ik zie alleen maar gras. Het gras deint op de warme wind en af en toe zie ik het bewegen in een richting die de wind niet past. Er moeten dus ook andere wezens hier aanwezig zijn, maar door het hoge gras blijven ze onzichtbaar voor mij. De vraag is of ik dan ook onzichtbaar ben voor hun.

Ik besluit daarom niet onder de boom te slapen maar er in. De kleine apen, vogels en eekhoorns uit het woud lijken me geen bedreiging voor mij. Maar wat zich op de grond begeeft weet ik niet en dus neem ik liever het zekere voor het onzekere. Ik vind een plek in de boom waar ik gemakkelijk kan liggen en daarnaast kan ik zo ook nog een eind over deze grasvlakte kijken naar al dat zich misschien in mijn richting begeeft.

Langzaam zakt de zon achter de horizon en prachtige kleuren vormen zich aan de lucht. Eerst geel en rood en daarna een prachtig oranje dat plaats maakt voor het dieppaars en zwart van de nacht. Als de sterren aan de hemel verschijnen is het zo donker in de maanloze nacht dat ik de melkweg voor het eerst echt aanschouwen kan. Ik zoek naar de mij bekende sterrenbeelden maar vind er geen. Dan valt mijn oog op iets dat ik wel ken, maar nooit eerder echt zag. Het zuiderkruis. Dat kan toch niet? Het zuiderkruis is een constellatie die je alleen kunt zien aan de sterrenhemel onder de evenaar en dus nooit aan de Nederlandse hemel te zien is. Omdat ik denk dat ik mij vergis probeer ik nogmaals Orion, Stier of de grote beer te ontdekken. Helaas zonder resultaat. Een beetje argwanend graaf ik in mijn geheugen naar de sterren van het andere halfrond. Als ik de hemel afspeur naar bekende patronen kan ik wel de pauw , het watermonster en de centaur ontdekken. In mijn hoofd draait het een beetje. Hoe kan in in hemelsnaam nu naar de hemel van het zuiderlijk halfrond zitten kijken? Moe en met een hoofd vol vraagtekens van ik in slaap.

<Hoofdstuk -12-                                                                     Hoofdstuk 14>

Paul bestaat echt

Zoals de trouwe lezer inmiddels weet bestaat wonderwerpen uit Paul en Rosalie. Paul is echter voor de lezer niet zo zichtbaar op de website. Rosalie schreef er al een paar keer over. Soms in opdracht, soms uit eigen overweging of iets daartussenin. 

Voor haar maakt Paul wel degelijk deel uit van wonderwerpen. Ze spreken elkaar dagelijks en spuien tussen al die regels door ook een hoop ideeën over en weer. Er is geen twijfel mogelijk, zonder Paul geen wonderwerpen.

Maar op de pagina blijft Paul toch wat onzichtbaar. Zijn gezondheid en de medicatie die hij nemen moet zorgen ervoor dat al zijn bruisende ideeën moeizaam uit zijn toetsenbord komen. Afgelopen week werd die stilte doorbroken door een stukje audio uit een zonnige achtertuin.

Samen maakten ze er een leuk stuk van. Rosalie de inkt en Paul de stembanden. Een prima combinatie die smaakt naar meer. Vandaag stuurde Paul Rosalie dan ook wederom een bericht. Maar ditmaal vergrootte hij zijn zichtbaarheid aanzienlijk. Een heuse video waarin hij zelf uitlegt waarom zijn toetsenbord minder productief lijkt dan dat van Rosalie.

Een video bestemd voor de trouwe Wonderaar. Dus bij deze, beste Paul, het woord is aan jou!

Na het bekijken van deze video wil ik (Rosalie) toch eigenlijk ook nog wel wat kwijt.

Lieve Paul,

Dank je wel voor je ontwapenende eerlijkheid, voor je onvoorwaardelijke vriendschap en al je hersenspinsels.
Natuurlijk blijf ik schrijven en blijven wij wonderen. Ik ben trots op wat we hier tot nu toe samen hebben neergezet en op alles wat er nog komen gaat.
We gaan al onze mooie ideeën vormgeven en waar dat lastig is helpen we elkaar. Daar hebben we mooie nieuwe plannen voor gesmeed en die krijgen nu, ondanks alles, langzaamaan toch echt wel vorm. Gaat niet bestaat niet. 

Liefs Rosalie.

De sleutel -12-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Af en toe dommel ik weg, om dan weer wakker te schrikken van krakende takken en sluipende wezens in de nacht. Ik moet op een gegeven moment toch echt in slaap gevallen zijn want als ik weer wakker word zie ik dat de nacht plaats heeft gemaakt voor de dag. Een prachtige zon vult met haar licht een strak blauwe hemel. Van het vuur dat ik gisteren stookte rest enkel een smeulend hoopje kolen.

Als ik recht ga zitten zie ik dat er deze nacht niet veel veranderd is in het bos. De struiken hebben geen plaats gemaakt voor een pad en de open plek bij de grot is niet verandert in een oase van madeliefjes en heerlijk groen gras.

Als er niets veranderd is moet ik het pad dat ik gisteren verliet kunnen terugvinden om van daaruit mijn weg te vervolgen. Ik sta op en gemankeerd loop ik mijn eerste passen. Die pijn is niet weg te denken, maar toch moet ik verder. Ik vind mijn tred weer en stap in de richting vanwaar ik gisteren gekomen ben.

Na een korte wandeling kom ik op de tweesprong die ik verlaten had. Blijkbaar heb ik toch een keuze. Het woud dat mij genadeloos liet weten dat ik het niet voor het zeggen had lijkt nu ineens toch mijn vrije wil te respecteren. Maar hoe maak ik een keuze wanneer ik niet weet welke richting mij wat brengen gaat.

Ik blijf staan op de tweesprong en kijk eerst een poos naar het linkerpad. Dan draai ik, om ook het rechterpad te bestuderen. Beide bospaden zien er even vriendelijk als vijandig uit. Net als ik me om wil draaien om toch ook nog een keer de linkerkant te overwegen schiet er een schim voorbij. Dezelfde zwarte schim als gisteren. Het lijkt zich op te houden op het rechterpad. Even twijfel ik, maar al snel kom ik tot de conclusie dat mijn nieuwsgierigheid groter is dan mijn angst. Waarschijnlijk weet de schim van mijn aanwezigheid. En hoewel ik niet weet waar het mij naartoe zal leiden, weet ik wel dat het mij vannacht geen kwaad heeft gedaan.

Vertrouwende op dat gegeven besluit ik rechtsaf te gaan.
Het pad gaat een flink eind recht vooruit. Het bos oogt vriendelijk en ik poog te ontdekken wie zijn bewoners zijn. Ik zie insecten die ik nooit eerder zag en vogels met de mooiste kleuren. Maar ook eekhoorns en daslook. Het lijkt wel of de natuurlijk hier een mengelmoes heeft aangelegd van tropisch en gematigd klimaat. Alles lijkt hier in evenwicht naast elkaar te leven. Een multiculturele samenleving in het bos. Omdat ik me de afgelopen dagen al voldoende verbaasd heb besluit ik deze conclusie maar te laten voor wat hij is.

Verwonderd loop ik door en geniet ik van al het moois dat ik hier mag zien. De zwarte schim lijkt zich echter verborgen te houden, hoe goed ik ook zoek.
Dan ineens zie ik dat een paar meter voor mij het pad lijkt te keren. Ik kan niet meer zien waar het naartoe leidt en moet denken aan de poort waar ik eerder al voor stond. Ook toen maakte het pad een onverwachte wending. De sleutel in mijn hand leek te passen op de aangetroffen deur en een nieuwe wereld ging voor mij open.

Echter de sleutel liet ik steken op de vorige deur. Al dat nog rest is de afdruk van de sleutel in mijn hand. Ik hoop dat ik niet weer voor een gesloten deur kom. Of misschien erger nog, voor precies dezelfde deur als een aantal dagen geleden.

Ik merk dat ik nu toch wel wat zenuwachtig word. Ik zou niet graag het hele stuk weer terug moeten om de vergeten sleutel weer op te halen. Maar om nu weer voor dezelfde deur te staan als eerst zie ik ook niet zitten. Ik wil verder, vooruit en niet steeds dezelfde rondjes draaien.

Als ik het einde van het voor mij zichtbare pad nader zie ik dat het haaks afbuigt naar rechts. Ik twijfel even maar dan besluit ik toch dat er maar een ding op zit. Ik neem de afslag en zie tot mijn verbazing geen deur, maar wederom een nieuw pad. Wanneer ik eenmaal een eind op weg ben op mijn nieuwe route merk ik op dat er iets verandert in het woud. Alles lijkt langzaam aan lichter te worden en de begroeiing wordt minder dicht. Inmiddels kan ik de afzonderlijke struiken en bomen goed zien, ik kan zelfs tussen hen door kijken zonder ze aan de kant te duwen.

Ik stop en kijk goed om me heen. Ik draai om mijn as en neem deze nieuwe omgeving in mij op. Nu de begroeiing zo licht geworden is kan ik misschien de oorsprong van de schim ontdekken. Maar hoe ik ook kijk of draai, ik kan niet ontdekken waar het vandaan komt.

< Hoofdstuk-11-                                                                                                      Hoofdstuk -13->

De sleutel – 11 –

De Sleutel -Hoofdstuk 11-
Als ik wakker word voel ik de warmte van de zon op mijn gezicht. Ik denk aan het tuinfeest en hoe gezellig het was. Aan de late avond en hoe ik alleen nog even in de tuin achterbleef na afloop. Ik herinner me niet dat ik naar de slaapkamer gelopen ben. Vage herinneringen, tuin, uil, afdruk…

Voorzichtig doe ik mijn ogen open. Nog slaperig weet ik niet goed wat ik zie of waar ik ben. Als ik rechtop ga zitten zie ik overal bomen. Ik zie gras om mij heen. De geluiden die ik hoor ken ik niet. En even weet ik niet goed waar ik ben. Dan komt er dat gevoel over mij heen. Dat gevoel dat ik hier thuis ben, ook al weet ik niet waar ik mij bevind.

Langzaam komen er beelden terug. De sleutel, de afdruk, het bos en dit nieuwe woud. Dat was toch een droom? Slaap ik nu of ben ik wakker? Was gister dan een droom, of juist vandaag? Verward sta ik op. Au, mijn voeten, nog steeds. In een reflex kijk ik naar mijn rechterhand. Ja, de afdruk zit er nog. Waar is dat toch goed voor? Ik lijkt wel gemerkt.

Dan kijk ik om me heen. Ik zoek geen eten. Gisteren heb ik zoveel gegeten dat ik nu geen honger heb, denk ik. Waar kan ik nu heen? Een pad zie ik niet. Het woud lijkt me te omarmen. Ik voel me rustig hier. Volledig op mijn gemak. 

Aan de andere kant kan ik hier niet blijven zitten. Ik wil verder. Als ik opsta en mijn eerste stramme pijnlijke passen zet, zie ik hoe mooi het hier is. Ik herinner me dat ik in het bos achter mijn tuin echt heb leren kijken. Verwonderd bekijk ik de vogels met hun prachtige kleuren en luister ik naar dieren die ik nooit eerder hoorde. Mijn verwondering over deze plek doen mij verder lopen. Het woud dat mij lijkt te omarmen wijkt in de richting waar ik loop. Een prachtig pad openbaart zich aan mij en ik besluit het te volgen.

Ik loop een poos door dit nieuwe woud. Ik ruik andere geuren en hoor nieuwe geluiden. Verwonderd loop ik door, over een pad dat ik nog niet ken. Plots schiet er in de verte iets voorbij. Ik kan niet zien wat het is. Maar een grote zwarte schim trekt een eind voor mij langs en verdwijnt dan in het dichte woud. Ik schrik er een beetje van. Blijkbaar ben ik niet alleen. Naast de vogels die ik hoor en de insecten die ik overal rond zie zoemen en fladderen zijn hier blijkbaar ook grotere wezens. 

Even stop ik met lopen. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat ik hier veilig was. De nachten bracht ik tot nu toe gewoon door in de buitenlucht. Maar nu lijkt er ook iets anders in dit woud te huizen en weet ik niet of het verstandig is om er zomaar van uit te gaan dat mij hier niets gebeuren kan. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn onrust en ik besluit voorzichtig verder te lopen. Uitkijkend naar het onbekende wezen loop ik verder. Ondertussen wen ik langzaam aan de geluiden van dit woud. Ondanks dat ik niet weet wie of wat ze veroorzaakt, klinken ze inmiddels vertrouwd. Maar die zwarte schim zit toch nog in mijn hoofd. Heeft het mij ook opgemerkt? Ging het daarom er snel vandoor? Of was het gewoon op doortocht en heeft het geen enkel idee van mijn bestaan?

De zon is inmiddels over haar hoogtepunt en het einde van de dag nadert langzaam. Ik zal hier hoe dan ook de nacht weer moeten doorbrengen. Geen idee hebbende of de wezens in dit woud een bedreiging voor mij zijn bedenk ik me of ik een schuilplaats voor de nacht zoeken moet. Midden in mijn overweging hoor ik ineens takken kraken. Ik kijk achterom, in de richting van het geluid, en zie vanuit de dichte bebossing weer een grote zwarte schim voorbij flitsen. Iets harigs, ik weet nu zeker dat het geen mens is. Maar wat dan? Mijn besluit staat vast. Ik ga op zoek naar een beschut heenkomen voor de nacht. 

De bomen in dit woud zijn hoger dan ik gewend ben. Hun takken beginnen ver boven mijn bereik. Het is onmogelijk om in een boom te overnachten. Ik kan er simpelweg niet bij. Wel liggen er her en der takken op de grond. Misschien kan ik er een hut van bouwen, zoals we vroeger deden. Verzonken in mijn eigen gedachten loop ik verder. Tot ik plots op een nieuwe wending stuit. 

Het enkele pad dat zich tot nu toe voor mij uit leek te spreiden eindigt hier in een tweesprong. Twee paden. Nu sta ik voor een keuze. Welke moet ik nemen? Welk pad kruist zich nu met het mijne? Wat is het mijne?

Misschien moet ik ze beiden niet volgen en gewoon rechtdoor het bos in lopen. Wellicht dat zich nu een nieuw pad aan mij toont. Ik stap voorzichtig van het pad. Er gebeurt niets. Bos blijft bos. Ik zet nog een paar stappen. Er ontstaat geen pad. Toch meen ik door de struiken iets te zien. Ik zet nog een paar passen en sta dan ineens op een wat minder dicht bebost gebied en zie ik niet ver van mij een rotswand met een flinke opening erin. Dit is geweldig! Ik ben dicht genoeg bij het pad om het weer terug te kunnen vinden en ik heb een beschutte plek gevonden voor de nacht.

Zonder twijfel loop ik richting grot. Als ik de holte in de rotsen voorzichtig betreed zie ik in eerste instantie niets. Het is er kil en donker. Als ik hier wil overnachten zal ik in ieder geval wat brandhout moeten vinden. Ik knijp mijn ogen tot kleine spleetjes. Langzaam wennen ze aan het weinige licht. Ik zie dat het een ondiepe holte is, er is geen gang dieper de rotswand in. Dat voelt goed. Ik besluit in de omgeving wat takken en droge bladeren te verzamelen zodat ik voor de ingang een vuurt maken kan. Het zal de grot verwarmen en eventuele bedreigingen op afstand houden.

Ik sprokkel wat hout en ontdek een aantal paddestoelen waarvan ik zeker ben dat ze eetbaar zijn. Ik kan ze roosteren boven het vuur. Het is de tweede keer dat het woud mij nu weten laat dat niet ik de dienst uitmaak. Morgen moet ik blijkbaar een keuze maken. Maar ik ben nu te moe om daar over na te denken. Nadat ik vuur gemaakt heb prik ik de gevonden paddestoelen aan een dunne stok en houd ze erboven.

Na het eten van de paddestoelen probeer ik de slaap te vinden. Hoewel ik moe ben, lukt het mij maar lastig. De donkere zwarte schim die ik vandaag twee keer voorbij heb zien komen zit in mijn gedachten. Zou het gevaarlijk zijn in dit nieuwe woud?

<Hoofdstuk 10                                              Hoofdstuk 12>

© 2020 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑