CategorieDe Wonderton

Wonderwerpgadget..De waterkoker

Wat is dit nu weer? Met deze simpele vraag worden direct 2 dingen uitgelegd. Je kan het internet niet bezoeken of je wordt doodgegooid met gadgets. Alles blinkt, piept en glimt dat een lieve lust is. Maar heb je er echt wat aan? In deze eerste aflevering een gadget dat ik vandaag gekocht heb. De oude was lelijk aan het worden en een nieuwe moest wel meteen aansluiten bij de strakke lijnen van onze nieuwe Krups Nespresso machine. Ik moet eigenlijk de credits aan Maike geven. Zij zag hem en bestelde het direct. En wow, wat is hij mooi, functioneel en functioneel mooi. Superlatieven schieten te kort. 😉 Kijk zelf maar….

Wonderwerpblik op Rhenen 2/3

Ondanks dat ik overtuigd ongelovig ben, doet het klokgelui van een kerktoren in de verte wat met me. Tweede deel van een drieluik over het wonderwerp Rhenen

<Wonderwerpblik op Rhenen 1

 

Wonderwerpblik op Rhenen 1/3

Langzaam, zeer langzaam, edoch gestaag werk ik aan schriftelijke comeback op onze heerlijke verwondersite. Wanneer je deze tekst leest is dat al een toename van enkele duizenden procenten gemeten per woord. Voorwaar een vooruitgang! Het verwonderen gaat gewoon door, dat is sterker dan wat dan ook! Vandaag ben ik met de camera naar mijn Rhenen gegaan en is een lokale verwondering ontstaan. De mooie stad Rhenen aan de Rijn, waar ik geboren en getogen ben! Veel kijkplezier…..

Wonderwerpblik op Rhenen 2>

De sleutel -13-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Als ik omhoog kijk kan ik de blauwe hemel door het lichte bladerdak nu goed zien. Er zitten allerlei dieren in de bomen. Voornamelijk vogels en eekhoorns en kleine apen.
Apen? Waar komen die nu ineens vandaan? Voor het eerst sinds het betreden van deze nieuwe wereld vraag ik mij weer hardop af waar ik nu eigenlijk beland ben. Ik ben duidelijk niet in een dierentuin, maar ook niet in het bos even verderop in ons dorp. Even blijf ik staan kijken naar de vrolijk slingerende lenige wezens. Dan besluit ik door te lopen, verder richting het licht.

Bomen maken langzaam plaats voor struiken en struiken verworden tot gras. Ineens sta ik op een vlakte. Zo ver ik kijken kan is er gras met hier en daar een verdwaalde boom of kleine struik. Nu weet ik zeker dat ik me niet meer in mijn achtertuin bevind. Het bos dat ik nu achter mij laat was gaan voelen als een comfortabele veilige jas. Maar deze vlakte is voor mij nieuw. Het hoge gras biedt wellicht enig bescherming maar ontsnappen aan de felle zon kan ik hier niet meer.

In de verte zie ik een grote oude boom staan. Ik besluit er heen te lopen om daar een goede plek te vinden om te overnachten. De boom geeft me schaduw en beschermt me tegen mogelijke andere wezens. Als ik er heen loop zie ik dat er verder niet veel te vinden is bij deze boom. Hoe ver ik ook tuur, ik zie alleen maar gras. Het gras deint op de warme wind en af en toe zie ik het bewegen in een richting die de wind niet past. Er moeten dus ook andere wezens hier aanwezig zijn, maar door het hoge gras blijven ze onzichtbaar voor mij. De vraag is of ik dan ook onzichtbaar ben voor hun.

Ik besluit daarom niet onder de boom te slapen maar er in. De kleine apen, vogels en eekhoorns uit het woud lijken me geen bedreiging voor mij. Maar wat zich op de grond begeeft weet ik niet en dus neem ik liever het zekere voor het onzekere. Ik vind een plek in de boom waar ik gemakkelijk kan liggen en daarnaast kan ik zo ook nog een eind over deze grasvlakte kijken naar al dat zich misschien in mijn richting begeeft.

Langzaam zakt de zon achter de horizon en prachtige kleuren vormen zich aan de lucht. Eerst geel en rood en daarna een prachtig oranje dat plaats maakt voor het dieppaars en zwart van de nacht. Als de sterren aan de hemel verschijnen is het zo donker in de maanloze nacht dat ik de melkweg voor het eerst echt aanschouwen kan. Ik zoek naar de mij bekende sterrenbeelden maar vind er geen. Dan valt mijn oog op iets dat ik wel ken, maar nooit eerder echt zag. Het zuiderkruis. Dat kan toch niet? Het zuiderkruis is een constellatie die je alleen kunt zien aan de sterrenhemel onder de evenaar en dus nooit aan de Nederlandse hemel te zien is. Omdat ik denk dat ik mij vergis probeer ik nogmaals Orion, Stier of de grote beer te ontdekken. Helaas zonder resultaat. Een beetje argwanend graaf ik in mijn geheugen naar de sterren van het andere halfrond. Als ik de hemel afspeur naar bekende patronen kan ik wel de pauw , het watermonster en de centaur ontdekken. In mijn hoofd draait het een beetje. Hoe kan in in hemelsnaam nu naar de hemel van het zuiderlijk halfrond zitten kijken? Moe en met een hoofd vol vraagtekens van ik in slaap.

<Hoofdstuk -12-                                                                     Hoofdstuk 14>

Paul bestaat echt

Zoals de trouwe lezer inmiddels weet bestaat wonderwerpen uit Paul en Rosalie. Paul is echter voor de lezer niet zo zichtbaar op de website. Rosalie schreef er al een paar keer over. Soms in opdracht, soms uit eigen overweging of iets daartussenin. 

Voor haar maakt Paul wel degelijk deel uit van wonderwerpen. Ze spreken elkaar dagelijks en spuien tussen al die regels door ook een hoop ideeën over en weer. Er is geen twijfel mogelijk, zonder Paul geen wonderwerpen.

Maar op de pagina blijft Paul toch wat onzichtbaar. Zijn gezondheid en de medicatie die hij nemen moet zorgen ervoor dat al zijn bruisende ideeën moeizaam uit zijn toetsenbord komen. Afgelopen week werd die stilte doorbroken door een stukje audio uit een zonnige achtertuin.

Samen maakten ze er een leuk stuk van. Rosalie de inkt en Paul de stembanden. Een prima combinatie die smaakt naar meer. Vandaag stuurde Paul Rosalie dan ook wederom een bericht. Maar ditmaal vergrootte hij zijn zichtbaarheid aanzienlijk. Een heuse video waarin hij zelf uitlegt waarom zijn toetsenbord minder productief lijkt dan dat van Rosalie.

Een video bestemd voor de trouwe Wonderaar. Dus bij deze, beste Paul, het woord is aan jou!

Na het bekijken van deze video wil ik (Rosalie) toch eigenlijk ook nog wel wat kwijt.

Lieve Paul,

Dank je wel voor je ontwapenende eerlijkheid, voor je onvoorwaardelijke vriendschap en al je hersenspinsels.
Natuurlijk blijf ik schrijven en blijven wij wonderen. Ik ben trots op wat we hier tot nu toe samen hebben neergezet en op alles wat er nog komen gaat.
We gaan al onze mooie ideeën vormgeven en waar dat lastig is helpen we elkaar. Daar hebben we mooie nieuwe plannen voor gesmeed en die krijgen nu, ondanks alles, langzaamaan toch echt wel vorm. Gaat niet bestaat niet. 

Liefs Rosalie.

De sleutel -12-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Af en toe dommel ik weg, om dan weer wakker te schrikken van krakende takken en sluipende wezens in de nacht. Ik moet op een gegeven moment toch echt in slaap gevallen zijn want als ik weer wakker word zie ik dat de nacht plaats heeft gemaakt voor de dag. Een prachtige zon vult met haar licht een strak blauwe hemel. Van het vuur dat ik gisteren stookte rest enkel een smeulend hoopje kolen.

Als ik recht ga zitten zie ik dat er deze nacht niet veel veranderd is in het bos. De struiken hebben geen plaats gemaakt voor een pad en de open plek bij de grot is niet verandert in een oase van madeliefjes en heerlijk groen gras.

Als er niets veranderd is moet ik het pad dat ik gisteren verliet kunnen terugvinden om van daaruit mijn weg te vervolgen. Ik sta op en gemankeerd loop ik mijn eerste passen. Die pijn is niet weg te denken, maar toch moet ik verder. Ik vind mijn tred weer en stap in de richting vanwaar ik gisteren gekomen ben.

Na een korte wandeling kom ik op de tweesprong die ik verlaten had. Blijkbaar heb ik toch een keuze. Het woud dat mij genadeloos liet weten dat ik het niet voor het zeggen had lijkt nu ineens toch mijn vrije wil te respecteren. Maar hoe maak ik een keuze wanneer ik niet weet welke richting mij wat brengen gaat.

Ik blijf staan op de tweesprong en kijk eerst een poos naar het linkerpad. Dan draai ik, om ook het rechterpad te bestuderen. Beide bospaden zien er even vriendelijk als vijandig uit. Net als ik me om wil draaien om toch ook nog een keer de linkerkant te overwegen schiet er een schim voorbij. Dezelfde zwarte schim als gisteren. Het lijkt zich op te houden op het rechterpad. Even twijfel ik, maar al snel kom ik tot de conclusie dat mijn nieuwsgierigheid groter is dan mijn angst. Waarschijnlijk weet de schim van mijn aanwezigheid. En hoewel ik niet weet waar het mij naartoe zal leiden, weet ik wel dat het mij vannacht geen kwaad heeft gedaan.

Vertrouwende op dat gegeven besluit ik rechtsaf te gaan.
Het pad gaat een flink eind recht vooruit. Het bos oogt vriendelijk en ik poog te ontdekken wie zijn bewoners zijn. Ik zie insecten die ik nooit eerder zag en vogels met de mooiste kleuren. Maar ook eekhoorns en daslook. Het lijkt wel of de natuurlijk hier een mengelmoes heeft aangelegd van tropisch en gematigd klimaat. Alles lijkt hier in evenwicht naast elkaar te leven. Een multiculturele samenleving in het bos. Omdat ik me de afgelopen dagen al voldoende verbaasd heb besluit ik deze conclusie maar te laten voor wat hij is.

Verwonderd loop ik door en geniet ik van al het moois dat ik hier mag zien. De zwarte schim lijkt zich echter verborgen te houden, hoe goed ik ook zoek.
Dan ineens zie ik dat een paar meter voor mij het pad lijkt te keren. Ik kan niet meer zien waar het naartoe leidt en moet denken aan de poort waar ik eerder al voor stond. Ook toen maakte het pad een onverwachte wending. De sleutel in mijn hand leek te passen op de aangetroffen deur en een nieuwe wereld ging voor mij open.

Echter de sleutel liet ik steken op de vorige deur. Al dat nog rest is de afdruk van de sleutel in mijn hand. Ik hoop dat ik niet weer voor een gesloten deur kom. Of misschien erger nog, voor precies dezelfde deur als een aantal dagen geleden.

Ik merk dat ik nu toch wel wat zenuwachtig word. Ik zou niet graag het hele stuk weer terug moeten om de vergeten sleutel weer op te halen. Maar om nu weer voor dezelfde deur te staan als eerst zie ik ook niet zitten. Ik wil verder, vooruit en niet steeds dezelfde rondjes draaien.

Als ik het einde van het voor mij zichtbare pad nader zie ik dat het haaks afbuigt naar rechts. Ik twijfel even maar dan besluit ik toch dat er maar een ding op zit. Ik neem de afslag en zie tot mijn verbazing geen deur, maar wederom een nieuw pad. Wanneer ik eenmaal een eind op weg ben op mijn nieuwe route merk ik op dat er iets verandert in het woud. Alles lijkt langzaam aan lichter te worden en de begroeiing wordt minder dicht. Inmiddels kan ik de afzonderlijke struiken en bomen goed zien, ik kan zelfs tussen hen door kijken zonder ze aan de kant te duwen.

Ik stop en kijk goed om me heen. Ik draai om mijn as en neem deze nieuwe omgeving in mij op. Nu de begroeiing zo licht geworden is kan ik misschien de oorsprong van de schim ontdekken. Maar hoe ik ook kijk of draai, ik kan niet ontdekken waar het vandaan komt.

< Hoofdstuk-11-                                                                                                      Hoofdstuk -13->

De sleutel – 11 –

De Sleutel -Hoofdstuk 11-
Als ik wakker word voel ik de warmte van de zon op mijn gezicht. Ik denk aan het tuinfeest en hoe gezellig het was. Aan de late avond en hoe ik alleen nog even in de tuin achterbleef na afloop. Ik herinner me niet dat ik naar de slaapkamer gelopen ben. Vage herinneringen, tuin, uil, afdruk…

Voorzichtig doe ik mijn ogen open. Nog slaperig weet ik niet goed wat ik zie of waar ik ben. Als ik rechtop ga zitten zie ik overal bomen. Ik zie gras om mij heen. De geluiden die ik hoor ken ik niet. En even weet ik niet goed waar ik ben. Dan komt er dat gevoel over mij heen. Dat gevoel dat ik hier thuis ben, ook al weet ik niet waar ik mij bevind.

Langzaam komen er beelden terug. De sleutel, de afdruk, het bos en dit nieuwe woud. Dat was toch een droom? Slaap ik nu of ben ik wakker? Was gister dan een droom, of juist vandaag? Verward sta ik op. Au, mijn voeten, nog steeds. In een reflex kijk ik naar mijn rechterhand. Ja, de afdruk zit er nog. Waar is dat toch goed voor? Ik lijkt wel gemerkt.

Dan kijk ik om me heen. Ik zoek geen eten. Gisteren heb ik zoveel gegeten dat ik nu geen honger heb, denk ik. Waar kan ik nu heen? Een pad zie ik niet. Het woud lijkt me te omarmen. Ik voel me rustig hier. Volledig op mijn gemak. 

Aan de andere kant kan ik hier niet blijven zitten. Ik wil verder. Als ik opsta en mijn eerste stramme pijnlijke passen zet, zie ik hoe mooi het hier is. Ik herinner me dat ik in het bos achter mijn tuin echt heb leren kijken. Verwonderd bekijk ik de vogels met hun prachtige kleuren en luister ik naar dieren die ik nooit eerder hoorde. Mijn verwondering over deze plek doen mij verder lopen. Het woud dat mij lijkt te omarmen wijkt in de richting waar ik loop. Een prachtig pad openbaart zich aan mij en ik besluit het te volgen.

Ik loop een poos door dit nieuwe woud. Ik ruik andere geuren en hoor nieuwe geluiden. Verwonderd loop ik door, over een pad dat ik nog niet ken. Plots schiet er in de verte iets voorbij. Ik kan niet zien wat het is. Maar een grote zwarte schim trekt een eind voor mij langs en verdwijnt dan in het dichte woud. Ik schrik er een beetje van. Blijkbaar ben ik niet alleen. Naast de vogels die ik hoor en de insecten die ik overal rond zie zoemen en fladderen zijn hier blijkbaar ook grotere wezens. 

Even stop ik met lopen. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat ik hier veilig was. De nachten bracht ik tot nu toe gewoon door in de buitenlucht. Maar nu lijkt er ook iets anders in dit woud te huizen en weet ik niet of het verstandig is om er zomaar van uit te gaan dat mij hier niets gebeuren kan. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn onrust en ik besluit voorzichtig verder te lopen. Uitkijkend naar het onbekende wezen loop ik verder. Ondertussen wen ik langzaam aan de geluiden van dit woud. Ondanks dat ik niet weet wie of wat ze veroorzaakt, klinken ze inmiddels vertrouwd. Maar die zwarte schim zit toch nog in mijn hoofd. Heeft het mij ook opgemerkt? Ging het daarom er snel vandoor? Of was het gewoon op doortocht en heeft het geen enkel idee van mijn bestaan?

De zon is inmiddels over haar hoogtepunt en het einde van de dag nadert langzaam. Ik zal hier hoe dan ook de nacht weer moeten doorbrengen. Geen idee hebbende of de wezens in dit woud een bedreiging voor mij zijn bedenk ik me of ik een schuilplaats voor de nacht zoeken moet. Midden in mijn overweging hoor ik ineens takken kraken. Ik kijk achterom, in de richting van het geluid, en zie vanuit de dichte bebossing weer een grote zwarte schim voorbij flitsen. Iets harigs, ik weet nu zeker dat het geen mens is. Maar wat dan? Mijn besluit staat vast. Ik ga op zoek naar een beschut heenkomen voor de nacht. 

De bomen in dit woud zijn hoger dan ik gewend ben. Hun takken beginnen ver boven mijn bereik. Het is onmogelijk om in een boom te overnachten. Ik kan er simpelweg niet bij. Wel liggen er her en der takken op de grond. Misschien kan ik er een hut van bouwen, zoals we vroeger deden. Verzonken in mijn eigen gedachten loop ik verder. Tot ik plots op een nieuwe wending stuit. 

Het enkele pad dat zich tot nu toe voor mij uit leek te spreiden eindigt hier in een tweesprong. Twee paden. Nu sta ik voor een keuze. Welke moet ik nemen? Welk pad kruist zich nu met het mijne? Wat is het mijne?

Misschien moet ik ze beiden niet volgen en gewoon rechtdoor het bos in lopen. Wellicht dat zich nu een nieuw pad aan mij toont. Ik stap voorzichtig van het pad. Er gebeurt niets. Bos blijft bos. Ik zet nog een paar stappen. Er ontstaat geen pad. Toch meen ik door de struiken iets te zien. Ik zet nog een paar passen en sta dan ineens op een wat minder dicht bebost gebied en zie ik niet ver van mij een rotswand met een flinke opening erin. Dit is geweldig! Ik ben dicht genoeg bij het pad om het weer terug te kunnen vinden en ik heb een beschutte plek gevonden voor de nacht.

Zonder twijfel loop ik richting grot. Als ik de holte in de rotsen voorzichtig betreed zie ik in eerste instantie niets. Het is er kil en donker. Als ik hier wil overnachten zal ik in ieder geval wat brandhout moeten vinden. Ik knijp mijn ogen tot kleine spleetjes. Langzaam wennen ze aan het weinige licht. Ik zie dat het een ondiepe holte is, er is geen gang dieper de rotswand in. Dat voelt goed. Ik besluit in de omgeving wat takken en droge bladeren te verzamelen zodat ik voor de ingang een vuurt maken kan. Het zal de grot verwarmen en eventuele bedreigingen op afstand houden.

Ik sprokkel wat hout en ontdek een aantal paddestoelen waarvan ik zeker ben dat ze eetbaar zijn. Ik kan ze roosteren boven het vuur. Het is de tweede keer dat het woud mij nu weten laat dat niet ik de dienst uitmaak. Morgen moet ik blijkbaar een keuze maken. Maar ik ben nu te moe om daar over na te denken. Nadat ik vuur gemaakt heb prik ik de gevonden paddestoelen aan een dunne stok en houd ze erboven.

Na het eten van de paddestoelen probeer ik de slaap te vinden. Hoewel ik moe ben, lukt het mij maar lastig. De donkere zwarte schim die ik vandaag twee keer voorbij heb zien komen zit in mijn gedachten. Zou het gevaarlijk zijn in dit nieuwe woud?

<Hoofdstuk 10                                              Hoofdstuk 12>

De sleutel -10-

De Sleutel -Hoofdstuk 10-

Moe maar ontspannen plof ik in een tuinstoel. Het is laat, heel laat. Iedereen is naar huis en het was een geweldige avond. De kinderen liggen al een hele poos lekker te slapen en Marco en Anja hebben heel fijn geholpen met alles opruimen. De vaatwasser doet zijn ding al voor de vierde keer vanavond en ik ben moe. Maar ik kan nog niet slapen. Alle indrukken, alle fijne gesprekken, razen nog door mijn hoofd. Het is nog steeds warm buiten en we besluiten samen nog lekker even na te keuvelen in de tuin.

Langzaam aan gaan ook mijn schoonbroer en zijn vrouw naar binnen en uiteindelijk kan ook Hugo zijn vermoeidheid niet weerstaan. Ik ben ook moe, maar ik besluit toch nog even alleen buiten te blijven zitten. In de stille donkere nacht tuur ik voor me uit. Bij het zwakke licht van de laatste kaars hoor ik een uil roepen. Zijn roep komt van heel dichtbij. Hij lijkt zich op te houden in het kleine bosje achter in onze tuin. Hij roept nog een keer. Zijn roep wordt luider. Ineens flitsen er herinneringen van afgelopen dromen door mijn hoofd. 

De sleutel, het kleine bos achter in mijn tuin waar ik in verdwaalde, de deur die open ging en de pijn. De pijn. Ik schrik. Die pijn is er nog steeds. Was het wel een droom? Wat is er eigenlijk allemaal gebeurt? Ik kijk naar mijn rechterhand. Onzeker en voorzichtig draai ik hem om. De aanblik van de afdruk in mijn rechterhand doen de rillingen langs mijn rug gaan. 

Dan slaat een overweldigende vermoeidheid toe. Van de dag, van het jaar, van alles. Ik vecht en probeer helder te blijven maar de slaap wint het van mij. Nog eenmaal hoor ik luid de uil en dan val ik als een blok in slaap.

<Hoofdstuk 9.                                                                 Hoofdstuk 11>

De sleutel – 9 –

De Sleutel

Daar sta ik dan. In een oerwoud lijkt het wel. Als ik me omdraai blijkt de deur naar mijn wereld nog steeds open te staan. Anders dan alles dat zich hiervoor heeft afgespeeld verbaas ik mij over wat ik hier ervaar. De zon schijnt er, maar alles lijkt in een ander licht te staan. Er hangt een warme gloed over deze wereld. De kleuren zijn prachtig. Het groen is groener dan al het groen dat ik ooit zag. Het is er warm, maar niet benauwd. Ik hoor de vogels, maar ik herken ze niet.

Omdat de deur naar mijn eigen wereld nog steeds open staat durf ik het aan een paar stappen te nemen. Als ik achterom kijk blijkt het pad nog steeds te bestaan. Toch heb ik niet de drang terug te lopen. Ik loop een eindje vooruit en kom dan op een open plek in het woud. Als ik ga zitten realiseer ik mij dat er geen weg meer terug is naar die plek van ooit. Dat ik hier thuis ben en dat iedereen om mij heen staat, al zie ik dat niet. Ik voel met alles wat ik heb dat ik hier hoor.

Ik kijk naar mijn rechterhand waar eens de sleutel zat. De sleutel waarmee ik de deur opende naar deze wondere wereld. De sleutel die nog in het sleutelgat steekt. Ik schrik en besef me dat ik al een tijdje rondloop zonder de sleutel.

Voordat ik deze deur opende kon ik me niet verplaatsen zonder sleutel. Wanneer ik hem liet vallen of even neer gelegd had stopte mijn voeten en benen met die belachelijke pijnen. Maar ze stopte dan ook meteen met werken. Als pudding bungelde ze aan mijn lijf. Zitten was dan de enige optie.
Maar nu, nu was ik de sleutel kwijt. Hij stak nog in het slot. Mijn benen en voeten deden echter nog altijd zeer, maar ik was de controle over hen niet verloren. De sleutel had zijn magie verloren en hij had een vervelend restje achter gelaten. Verward kijk ik naar de afdruk in mijn hand. Wat zal dit betekenen?

Dan besluit ik in ieder geval op deze open plek de nacht door te brengen. De zon zakt al en kleurt de lucht fel oranje. Nu verder lopen heeft geen enkele zin en daarnaast willen mijn voeten echt niet nog verder vandaag. Ik ga liggen in het zachte gras op deze open plek. Als ik omhoog kijk zie ik dat het langzaam donker wordt.
Aan de hemel, die ik nu duidelijk zien kan, verschijnen de eerste sterren. Ik zie de grote beer recht boven mij ontstaan en van daaruit kan ik ook Polaris zien en de kleine beer. Zoals ik hier nu lig, lekker in het gras, voel ik mij prima op mijn gemak. Ik hoor allerlei geluiden de nacht inluiden en ik kan moeilijk thuisbrengen van wie ze zijn.
Starend naar de sterren val ik langzaam in slaap.

Ik droom ernstig realistisch deze nacht. Ik ben thuis, in mijn tuin. Het is lekker weer en ik lees een boekje. Hugo vraagt of ik ook wat drinken wil. Ik kijk hem wat verbaast aan. We hebben elkaar enkele dagen niet gezien of gesproken. Dat is op zich geen uitzondering, maar dan weten we over het algemeen wel van elkaar waar we uithangen. Nu ik hier weer zo plotseling thuis verschijn lijkt hij helemaal niet bezorgd of overmatig blij met dit plotselinge weerzien.

‘Wil je nu wat drinken of niet?’ Vraagt hij nogmaals. Euh, ja, lekker, breng maar wat water mee naar buiten. Wanneer hij naar binnen loopt hoor ik nog allerlei rumoer binnen. De tuindeuren zwaaien open en drie kleine mannetjes hollen naar buiten. ‘Tante Rosalie!’ Roepen ze gedrieën uitbundig. ‘Mogen wij bij jouw logeren vandaag?’ Ja natuurlijk, dat mag altijd. Onze drie neefjes zijn ons allergrootste trots. Ons huis is het hunne, dus als zij willen blijven dan mag dat.
Maar waar komen ze ineens vandaan?

Hugo komt naar buiten met een kan water en wat glazen. ‘Marco en Anja zijn er al. Ze zijn wat vroeger, dan kunnen ze nog wat uitrusten voor de barbecue vanavond.’ Hoor ik hem zeggen.
Dat is waar ook. Na dit afgelopen bizarre jaar hebben we besloten een feest te organiseren voor iedereen die ons dierbaar is. Hugo’s broer en zijn gezin kan daarin niet ontbreken. Ze wonen een kleine 200 kilometer verderop, dus logeren ze altijd hier. Ik vind dat heerlijk.

Gevoelsmatig ben ik even een stukje kwijt. Ik herinner me dat we afgesproken hebben een feest te geven en dat we mensen uitgenodigd hebben. Ook weet ik dat iedereen enthousiast aangegeven heeft graag te komen. We hebben slaapplaatsen geregeld voor diegene die niet dezelfde avond nog naar huis kunnen en plannen gemaakt voor een gezellige avond.
Maar ik kan mij niet herinneren dat ik inkopen gedaan heb. Laat staan dat ik het een en ander voorbereid heb.

Hoewel ik blij ben met het weerzien met Hugo en met de jongens en hun ouders, breekt het zweet me nu toch wel een beetje uit bij de gedachte dat ik nog inkopen doen moet en me moet voorbereiden op een feest vanavond. Hugo leest de onrust van mijn gezicht en vraagt wat er is. ‘Ik denk dat ik nog het een en ander moet halen dan.’ Hugo lacht en zegt dat hij denkt dat de koelkast dat er echt niet nog bij hebben kan. ‘Jij wil het altijd iedereen naar de zin maken. Maar ze komen voor ons, je bent je al twee dagen uit aan het sloven. We hebben meer dan genoeg in huis, blijf jij nu maar lekker even zitten. Het komt allemaal goed.’

Vreemd, ik kan me daar werkelijk niks van herinneren. Ik ben blijkbaar de afgelopen dagen druk bezig geweest en ben daardoor waarschijnlijk redelijk onbereikbaar geweest voor mijn man. Hij weet precies hoe ik in elkaar zit, er tegen in gaan heeft weinig zin, dus dan laat hij me maar.
Ik kan me er echter niets van herinneren. Omdat de onrust mij niet loslaat besluit ik toch een kijkje te gaan nemen. Als ik opsta voel ik mijn voeten. Auw dat valt tegen vandaag. In een flits word ik herinnerd aan de sleutel en het het vreemde woud achter in mijn tuin. Ik draai me even om en zie de weelderig ruimte achter in mijn tuin, ‘Ik kan me toch niet voorstellen dat….’

Wanneer ik naar binnen loop open ik direct de grote koelkast in de bijkeuken. Hugo heeft gelijk, afgeladen vol. Aan de inhoud kan ik precies zien wie er allemaal komen vanavond. Rekening houdende met de vleeseters en de niet vleeseters, met kruidenintoleranties en drankvoorkeuren puilt onze koelkast inderdaad uit. Toch loop ik ook even de keuken in. Meteen zie ik dat daar ook alles in orde is. Er liggen een paar vers gebakken broden af te koelen op het aanrecht. En er staan al allerlei hapjes klaar. Ik moet dat vanochtend gedaan hebben, maar ik heb werkelijk geen idee…

Ik besluit het maar te nemen zoals het komt. Gerust loop ik weer naar buiten. Ik ga bij de jongens zitten. Ze spelen een spelletje. Mijn voeten doen nog steeds zeer. ‘Mag ik meedoen?’ Vraag ik hen. ‘Jaaaaa!’ Is het antwoord. Ik krijg de rode poppetjes en een dobbelsteen. Heerlijk die koters om me heen. Lekker dobbelen in de zon. Even nergens aan denken.

Tegen het einde van de middag druppelen er meer mensen binnen. Allemaal lieve vrienden en wat familie. Mensen die mij het afgelopen jaar zo dierbaar geworden zijn en die allemaal hun eigen rol gespeeld hebben. Ziek zijn kost bergen energie, herstellen ook trouwens. Het is heel fijn dat er dan mensen om je heen staan die ondanks alles blijven zien wie je bent en zich niet laten overrompelen door wat je mankeert. Ik ben zo blij dat ik dit nu terug kan geven. Maar die voeten, ik weet niet wat dat is, ik maak me er toch een beetje ongerust over.

Hoe meer mensen er binnenkomen hoe meer ik mij op mijn gemak voel. Ik besluit mijn ongemak even te laten voor wat het is. Ik ga gewoon genieten van vandaag en morgen zien we wel weer verder. Met een inmiddels goed gevulde tuin besluiten we dat het tijd is het vuur te ontsteken. Hugo maakt de barbecue aan en ik begin samen met wat vrienden al allerlei lekkers naar buiten te brengen. Het duurt nog wel even voordat we lekkernijen op de barbecue kunnen leggen, maar er is zo ook genoeg te knabbelen. Dit wordt een heerlijk ontspannen avond, ik voel het aan alles.

<Hoofdstuk 8.                                                                       Hoofdstuk 10>

De Sleutel -8-

De Sleutel -Hoofdstuk 8-

Er kriebelt iets aan mijn neus. Als ik mijn ogen open doe zie ik nog net een lieveheersbeestje wegvliegen en het kriebelen stopt. Denkende aan de emotionele achtbaan die het bos mij gisteren toonde moet ik toch concluderen dat deze een vriendelijke manier van wekken heeft bedacht. Ik besef me dat ik dit woud als een levend organisme ben gaan beschouwen. Het zal mij niet meer loslaten, maar mij wellicht wel een weg tonen die ik vanaf hier bewandelen kan. Weer is er dat gevoel van niet alleen zijn. Niet zoals gisteren. Toen voelde ik duidelijk de aanwezigheid van alles dat ik ken. Nu is dat anders. Er is hier iets, of iemand. Ik weet wie je bent, maar ik ken je niet.

Hoe dan ook, ik kan hier niet blijven zitten. Ik krabbel op, strompel de eerste meters vooruit en hervind daarna mijn pijnlijke tred weer. Mijn gevoel zegt dat ik verder moet. Vooruit, al weet ik niet welke kant dat op is. Eigenlijk doet dat er ook helemaal niet toe, elke richting lijkt vooruit te gaan. Zodra ik achterom kijk en besluit die kant op te lopen, wordt dat opnieuw vooruit. Wat er aan het andere eind van dit pad ligt weet ik niet. Ik weet zelfs niet of er een andere kant bestaat. Maar blijven waar ik ben is voor mij geen optie. Dus loop ik verder al weet ik niet waar naartoe. 

Ik vraag me af of het mijn levenspad is dat ik hier gevonden heb? Zijn er daarom geen afslagen? De kortste weg van A naar B is gewoon de weg van A naar B. Geen omleidingen, geen afslagen, altijd vooruit. Het pijnlijke besef van deze nieuwe realiteit doet me besluiten door te zetten, blijven hangen in wat is geweest heeft geen zin. En hoewel het prachtig weer is in dit zomerse woud, voel ik mij niet lekker in mijn vel. Ik loop vooruit, de bomen wijken weer en het pad vormt zich wederom voor mij.

Zo loop ik de dag weer door. Ik denk veel na over het leven, in het algemeen en dat van mijzelf. Hoe ben ik hier gekomen en waar ga ik nog naartoe? Bestaat er wel iets als verleden en toekomst of leven we in een altijd durend nu? Dat laatste lijkt in dit woud nog het meest op zijn plaats. De weg toont zich enkel in de richting waar ik ga. Er zijn geen andere richtingen, er is geen ooit en ik heb geen idee wat er in de toekomst verscholen ligt. Ergens geeft me dat ook een rustig gevoel. Het heeft geen zin me er druk over te maken. Maar dan is er nog die pijn. Onbeschrijfelijk en altijd. Zonder kan ik niet gaan. Met maakt het leven lastig. Wat is het doel? Dit heeft toch geen zin.

Ik besluit meer om me heen te kijken. Denken over mijn eigen zijn brengt me nergens. Leren over de wereld om me heen, begrijpen wat die bedoelt en waar die heen wil is misschien belangrijker.

Al lopende verbaas ik me over hoe de planten en bomen groeien. Ik zie in de aarde onder mijn voeten allerlei insecten krioelen en het mycelium van verschillende schimmels lijkt de bomen op een ondergronds niveau met elkaar te verbinden. Verbaasd blijf ik even staan en kijk ik geconcentreerd naar wat ik zie. De schimmeldraden lijken voedingsstoffen af te geven aan de wortels van de bomen die ze omvatten. En op hun beurt geven de wortels van die bomen ook weer stoffen af aan de schimmeldraden. Er lijkt een heuse ondergrondse ruilmarkt te bestaan.

Het leven in dit bos communiceert met elkaar op manieren die wij niet begrijpen. Het leven is zoveel intenser en ingewikkelder dan we kunnen bevatten. Verwonderd loop ik verder, de bomen blijven wijken en het pad blijft zich openbaren.

Op een gegeven moment merk ik dat het pad smaller wordt. De bomen en struiken in het bos lijken naar me toe te komen. Zou mijn pad hier eindigen? Waar is hier eigenlijk? Stap ik zometeen uit deze wondere wereld? En stap ik dan weer gewoon op de grindtegels in mijn achtertuin?

Het gevoel benauwt me een beetje. Het gevoel dat ik misschien deze wereld moet verlaten en inruilen voor mijn normale bestaan. Ondanks de pijn heb ik hier veel geleerd en niet het gevoel dat ik hier klaar ben.

Ineens herinner ik me dat ik al twee keer eerder ben gestopt om uit te rusten en de nacht door te brengen. Steeds wanneer ik zitten ging opende het bos zich en ontstond er een open plek met heerlijk zacht gras en zoete vruchten aan de struiken onder de bomen. Ik besluit om hier te gaan zitten. De nacht nog eenmaal door te brengen waar ik nu ben en mij te bedenken hoe ik verder moet. Daarnaast heb ik ook gewoon honger en dorst en verlang ik naar de zoete vruchten die ik eerder ook gegeten heb.

Met een zucht plof ik op de bodem van het bos. Er gebeurt niets. Ik kijk om me heen. Ik zie bomen en struiken en ik hoor vogels en de wind. Geen uil, geen stilte en geen wijkende bomen.

Verbaasd staar ik even voor me uit. Ik kijk naar de stand van de zon. Het is nog niet zo laat, maar de dag loopt toch langzaam op zijn einde. Waarom zit ik nu op het pad? Ik was er stiekem vanuit gegaan dat ik de dienst uit maakte. Ik was gaan vertrouwen op de regelmaat van deze vreemde plek. Maar nu heeft het woud me bij de neus genomen. 

Was ik die andere keren dan precies op tijd gaan zitten? Was dat toeval? Bestaat toeval? Of word ik aangestuurd door iets dat groter is dan mij? Is er helemaal geen vrije wil en doen we maar wat ons onbewust wordt opgedragen.

Hoe langer ik op het bospad zit hoe vochtiger mijn broek wordt. Ik kijk nog eens naar de sleutel in mijn hand “Verdomd ding. Waarom heb ik je gevonden? Wat is dit voor waanzin?” Mijn voeten en benen doen zo een pijn. Ze zeuren om rust en lijken onder stroom te staan. Maar ik weet dat ik hier niet kan blijven zitten. Ik kan de nacht niet in dit dichte bos doorbrengen. Het zal er kil en koud worden. Ik moet verder. 

Zuchtend sta ik op. Het smalle pad ligt er nog steeds. Ik kan niet meer goed inschatten welke kant dit op gaat. Het vertrouwde gevoel maakt plaats voor een lichte onrust. ‘Ik lijk wel in een slecht hoofdstuk van Harry Potter terecht gekomen’ denk ik bij mezelf. Toch zet ik mezelf ertoe weer op pad te gaan. Ik volg het, naar mijn gevoel steeds smaller wordende, pad gedwee. Net als de moed mij in de schoenen lijkt te zakken maakt het pad een scherpe hoek naar rechts. Het glooiende pad dat ik nu al drie dagen volg draait abrupt en ik kan niet zien waar naartoe.

Ik aarzel. Wat gebeurt er met me als ik de hoek om ga? En wat gebeurt er als ik dat niet doe? Terug kan ik niet. Blijven waar ik nu ben is ook geen optie. Het bos heeft me duidelijk gemaakt dat niet ik de regels van het spel schrijf. Dus hier verwachten dat de bomen weer wijken voor een zonnige open plek doe ik niet meer. Mijn enige optie is de stap te zetten. Die ene stap die me de hoek om leidt.

Ik haal diep adem. Knijp stevig in de sleutel in mijn rechterhand, alsof die mij houvast bieden kan. En zet voorzichtig eerst met mijn linker en daarna met mijn rechtervoet een stap. Ik ben de hoek om en tref aan het einde van mijn pad een deur. Een houten deur gemaakt van verticaal naast elkaar geplaatste planken. Er zitten gietijzeren scharnieren op en een ijzeren deurknop met daaronder een sleutelgat.

Ik weet niet wat ik denken moet. Ik bestudeer de deur en bedenk me dat er vroeger in de schutting met onze achterburen ook een deur zat. Wij hebben die vervangen door een schuttingdeel. Maar zou dit de deur zijn naar onze achterburen? Is die op de een of andere wijze terug geplaatst zonder dat ik daar erg in heb gehad? Voorzichtig breng ik mijn linkerhand naar de deurknop. Als ik hem aanraak voelt hij koel. Geen extra ongemakken deze keer. Ik draai aan de knop, maar de deur gaat niet open. Hier sta ik dan, aan het einde van mijn weg voor een gesloten deur.

Ik blijf staan, starend naar de deur. Ik kan niet terug. Er is geen weg terug. Ik moet vooruit, maar de deur zit dicht. Er bekruipt me een gevoel van angst. Wat zit er achter deze deur? Iets zegt me dat het niet de tuin van de achterburen is. Onder de deurknop zit een sleutelgat. Ik kniel en sluit mijn linker oog. Met mijn rechter oog probeer ik door het sleutelgat te kijken om te ontdekken wat er zich aan de andere kant van deze poort bevindt. Ik zie een gloed. Ik zie kleuren, maar geen vaste vormen. Hoe goed ik mijn best ook doe ik kan niet onderscheiden wat er aan de andere kant van deze deur is.

Verbaasd sta ik weer op. Ik bal mijn vuisten en voel de sleutel in mijn rechterhand. Die verdomde sleutel, zou hij… Zou hij al die tijd mij geleid hebben naar deze deur omdat dit de deur is waartoe hij hoort?

Ik breng mijn rechter onderarm omhoog waardoor mijn gesloten hand met de palm naar boven dichter bij mijn gezicht komt. Dan open ik mijn vuist en bestudeer de sleutel aandachtig. Ik kan er geen bijzonderheden aan ontdekken en toch laat hij me niet los. Voorzichtig neem ik hem met mijn linkerhand uit mijn rechterpalm. Ik bekijk het roestige object van alle kanten. Zou ik het durven? Twijfelend breng ik de sleutel richting deur. Zodra ik in de buurt kom van het sleutelgat voel ik dat de sleutel, als door een magneet aangetrokken, als vanzelf in het sleutelgat verdwijnt. Van schrik laat ik los. De sleutel draait vanzelf en ik hoor een klik. De deur gaat een beetje open.

Voorzichtig geef ik de deur een klein zetje. Hij piept en kraakt en gaat moeizaam een beetje verder open. Nog een zetje. Voorzichtig kijk ik door de opening in de deur. Ik zie een open plek in een prachtig bos. Maar dit bos is anders dan het bos waar ik nu zo aan gewend ben geraakt. Dit kan onmogelijk de tuin zijn van onze achterburen. Voorzichtig duw ik de deur nu helemaal open. Ik sta in de deuropening en bestudeer deze nieuwe wereld aandachtig.

Ik hoor vreemde geluiden. Dierlijke geluiden, ik kan ze niet meteen thuisbrengen. Dit klinkt niet als iets dat ik ooit hoorde in het bos in ons dorp. Er hangt een hele andere sfeer. Het zijn andere, onbekende, planten en het ruikt er anders. Nieuwsgierig zet ik een stap. 

 

<Hoofdstuk 7                                                                                            Hoofdstuk 9>

© 2019 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑