CategoryHet Feuilleton

De Sleutel – 5 –

De Sleutel -Hoofdstuk 5-

Het bosje dat zich door de jaren heen achter het tuinhuisje van mijn man gevormd heeft lijkt ineens mijn bijzondere aandacht te hebben. Als door een ander aangedreven word ik er heen geleid. Mijn benen voelen als lood, mijn voeten alsof ik zojuist de volledige Nijmeegse vierdaagse in een dag heb afgelegd.

Bij de rand van het kleine bosje aangekomen duw ik wat takken opzij en stap ik de koele donkerte van een heus bos binnen. De bladeren en takken achter mij sluiten zich en als ik achterom kijk kan ik niet meer ontdekken waar ik het bos binnenstapte. Ik draai een aantal keer om mijn as en merk dat het gevoel me bekruipt verdwaald te zijn.
Ik schud mijn hoofd. Dat is onmogelijk. Ik stap net door het struikgewas het kleine bosje achter in mijn tuin binnen. Hier kan ik onmogelijk verdwalen!

Wanneer ik een aantal takken aan de kant schuif zie ik echter nog meer takken. Ik herhaal het procédé een aantal keer in verschillende richtingen, maar nergens kan ik het pad dat ik zojuist verlaten had ontdekken. In mijn herinnering heb ik mij nog niet verplaatst en moet ik dus zo uit deze struwelen kunnen stappen. Maar mijn herinnering heeft me de afgelopen dagen al vaker in de steek gelaten. Zo kon ik me niet meer herinneren hoe ik na een lange hete middag vanaf de bank in bed belandde. En dat ik uren op mijn knieën op de grond naast het tuinhuisje gezeten moet hebben lijkt mij ook onvoorstelbaar.

Misschien heb ik toch een paar passen gezet. Met de sleutel nog steeds stevig in mijn rechter hand besluit ik een paar stappen naar links te wagen. Nog meer bomen en struiken, maar geen pad. Nog een paar stappen dan. Ze geven hetzelfde resultaat. Ik bedenk me dat ik niet weet welke richting ik uitloop, maar dat onze tuin niet oneindig groot is. Dus als ik maar dezelfde kant uit blijf lopen dan moet ik uiteindelijk toch of het bosje weer uitlopen of de schutting van de buren tegenkomen. Wanneer dat laatste het geval is kan ik die volgen en vind ik vanzelf ook weer mijn weg uit dit bos.

Mijn voeten doen nog steeds zeer en mijn knieën en heupen voelen stijf. Toch blijf ik gedreven verder lopen. Na een tijdje merk ik dat de drang het bos te verlaten plaats maakt voor nieuwsgierigheid. Ik was hier nooit eerder. Ik herken niets. Maar toch voel ik me er thuis en ik weet niet hoe dat kan. Even blijf ik staan. Ik luister. In de verte meen ik iets te horen. Dan is het stil. De wind. Het ritselen van de bladeren. Het kwetteren van de mezen. Alles is even stil. Voorzichtig zet ik nog een stap. Ik voel een takje onder mijn linkervoet breken, maar ik hoor het niet.

Nog een stap. Geen geritsel, geen gekraak. Geen mezen of muizen. Helemaal niets.
Ik knijp stevig in de sleutel in mijn hand. Alsof ik me eraan vast kan houden, alsof ik hem vertrouw.
Ik zet nog een paar stappen in dit stille woud dat zich als een vacuüm om mij heen gesloten lijkt te hebben. Dan is er ineens een opening. Er vallen een aantal lichtstralen door het bladerdak en de grond is niet meer bossig en klam, maar groen en zacht. Jong gras bestrooid met madeliefjes toont zich aan mij.

Moe en verbaasd stap ik het gras op. Het kietelt aan mijn enkels en lijkt me uit te nodigen plaats te nemen. Ik kniel, plof zuchtend in het zachte gras neer. Mijn voeten en benen lijken hier even te willen pauzeren en ik ben het ditmaal roerend met hen eens. Het gras is uitzonderlijk zacht en comfortabel en moe laat ik me achterovervallen. Met mijn hoofd in het gras kijk ik voor het eerst echt omhoog. Ik zie dat de bomen hier tot in de hemel rijken. Ze zijn prachtig groen. En de zon die door hun open bladerdak schijnt verwarmt mijn gezicht.

Zo rustig, zo vredig, sluit ik mijn ogen. Maar net op dat moment is er dat geluid. Die uil die ik een paar dagen geleden ook gehoord heb. Weer overdag, heel ongewoon. Ik open mijn ogen en speur het bladerdak al liggend in het gras af. Ik kan het dier niet ontdekken terwijl zijn roep mij toch verteld dat het zich dicht bij mij moet bevinden. Nogmaals hoor ik het. Het geluid lijkt dichterbij te komen. Ik ga rechtop zitten en kijk om me heen. Bladeren, struiken, bomen, zover ik kijken kan. Maar van het dier geen enkel spoor.

Nog een keer hoor ik de uil. Maar hoe ik ook speur. Ik vind hem niet.
Ik ben moe. Moet hier al uren aan het dwalen zijn. Het gras is zacht en de avond valt. Ik voel me op een vreemde manier thuis waar ik nu ben. Ik ben niet alleen. Met de sleutel in mijn hand val ik langzaam in slaap.

<Hoofdstuk 4.                                                                                                          Hoofdstuk 6>

De Sleutel – 4 –

De Sleutel -Hoofdstuk 4-

Achter in onze tuin staat een hutje. Hugo noemt het zijn mancave. Het zal wel. Het is een hoek van de tuin waar ik zelden kom. Ik laat het een en ander er zijn gang gaan en zorg er zo voor dat biodiversiteit weer een kans krijgt. Met enige regelmaat hoor ik egels piepen en krekels zingen. Ook de vogels vinden het er gezellig en de mezen kwetteren dat het een lieve lust is. Ondanks dat ik er eigenlijk nooit kom maakt het onze tuin toch gezelliger. Wat mijn man in zijn hut uitvoert is me onduidelijk, maar het doet hem goed en dus laat ik hem maar.

Misschien is hij ongemerkt langs mij gelopen en zit hij nu in zijn paleisje. Misschien veroorzaakt dat dit vreemde gevoel. Ik roep zijn naam maar krijg geen reactie. Nog een keer. Plots hoor ik achter mij het badkamerraam open gaan. Roep je mij? Klinkt het vanuit de badkamer. Hugo heeft me wel gehoord, maar bevond zich niet daar waar ik dacht. ‘Ik meende dat je in je mancave zat, het zullen wel de katten van de buren zijn!’ antwoord ik hem. Of misschien is het toch de marter die zijn aanwezigheid normaal gesproken alleen kenbaar maakt door de hoopjes zeer kenmerkende ontlasting die hij op ons terras regelmatig achterlaat denk ik bij mezelf. Terwijl ik dat denk merk ik dat ik mezelf gerust probeer te stellen met weinig resultaat. 

Nieuwsgierig en misschien ook een beetje ongerust besluit ik toch maar eens te gaan onderzoeken waar dat gevoel vandaan zou kunnen komen. Terwijl ik het tuinhuisje van mijn man nader zie ik dat er iets aan het haakje naast de deur bungelt. Ik kan niet goed zien wat het is, maar merk dat ik mijn ogen er niet vanaf kan houden. Terwijl ik dichterbij kom kan ik zien dat het een sleutel is. Wanneer ik bij de deur van het huisje sta zie ik dat de sleutel verdacht veel lijkt op de sleutel die ik gisteren in de tuin vond en die ik vanochtend in mijn broekzak stak nadat ik hem opraapte van de vloer in onze slaapkamer. Verward zoek ik in mijn broekzak naar de sleutel. Mijn broekzak is leeg, allebei mijn broekzakken blijken leeg. 

Meteen begrijp ik dat de sleutel, aan het haakje naast de deur van het tuinhuisje van mijn man, dezelfde sleutel moet zijn als de sleutel die ik gisteren vond en vanochtend in mijn broekzak stak. Verbaasd en verward probeer ik mij te herinneren wat er moet zijn gebeurd. Wat in hemelsnaam ben ik vergeten? Heb ik de sleutel aan Hugo gegeven en heeft hij hem vervolgens bij wijze van prijs aan het haakje naast zijn deur gehangen? Heb ik hem er zelf opgehangen? Maar hoe diep ik ook graaf, ik kan me werkelijk niets anders herinneren dan dat ik de sleutel in mijn broekzak gestopt heb. En toch hangt hij hier. Bijna triomfantelijk, uitdagend, onweerstaanbaar.

In een reflex rijk ik naar de sleutel. Op het moment dat ik de sleutel vast wil pakken vliegt er een pijnscheut vanuit mijn voeten naar mijn kruin. Ik krimp ineen en zak door mijn knieën. Wanneer de pijn verdwijnt en ik geknield op de grond zit merk ik dat ik de sleutel toch van het haakje genomen heb en dat hij nu stevig in mijn vuist opgeborgen zit. Er daalt een soort bizarre rust over mij en tegenlijk stijgt het gevoel dat ik niet alleen ben.

Ik voel de sleutel in mijn hand gloeien en op het moment dat hij te heet wordt laat ik hem los en valt hij weer in de aarde waar ik hem gevonden heb. Ik kijk naar de sleutel op de grond, die er nog steeds niet heel bijzonder uitziet. Dan kijk ik naar de palm van mijn hand. 

Daar waar eerst de sleutel zat prijkt nu een donkere afdruk. Het doet geen zeer, maar als ik het probeer weg te wrijven merk ik dat dit niet lukt. De sleutel, die daar doodgewoon in de aarde ligt heeft een blijvende afdruk achtergelaten in de palm van mijn rechterhand. Het raadsel wordt alleen maar groter. Ik probeer een en ander op een rijtje te zetten, maar ik kan er niet achterkomen hoe een saaie sleutel zomaar zonder reden een blijvende afdruk in mijn hand achter kan laten. En dan die pijn. Ongelofelijke pijn. Net als vanochtend toen ik de sleutel van de vloer van onze slaapkamer probeerde te rapen. Hoe kan dit? De enige overeenkomst die dit moment, hier in de tuin, en de gebeurtenis vanochtend in onze slaapkamer gemeen hebben is deze sleutel. Deze sleutel en de pijn, die op de een of andere manier bij elkaar lijken te horen.

Ineens realiseer ik me dat ik al een tijdje op de grond zit. Ik probeer de verwarring van me af te schudden, maar wanneer ik recht probeer te komen voelen mijn benen als van beton. Het lijkt wel of iemand mij aan de grond gelijmd heeft. Wat ik ook probeer het wil niet lukken. Ik kan niet opstaan. Lichtelijk in paniek kijk ik om me heen, wellicht kan ik me ergens aan optrekken, misschien dat het dan lukt. In mijn zoektocht naar houvast valt mijn oog ineens weer op de sleutel. Iets in mij zegt dat ik hem vast moet pakken, maar ik ben bang. Ik kijk nog eens naar de afdruk in mijn hand. Er loopt een rilling door mijn lijf wanneer ik denk aan wat er eerder gebeurde toen ik de sleutel wilde pakken. 

En toch, toch merk ik dat er iets is dat mijn aandacht steeds weer terugbrengt naar de sleutel. Naast mijn angst is er ineens ook een gevoel van vertrouwen. Weer dat gevoel dat ik niet alleen ben. Alleen nu is het anders. Daar waar ik eerder vandaag mij ongemakkelijk bekeken voelde, voel ik mij nu gesteund. Het gevoel is zo sterk dat ik het durf, denk ik. Voorzichtig strek ik mijn arm richting sleutel. Ik twijfel even, maar pak dan toch de sleutel van de grond. Weer die pijn. Mijn hemel waar komt dat vandaan…. Maar door de pijn voel ik mijn benen. Ze doen het weer. Ik sta op, nog steeds met de sleutel in mijn hand. Ik kijk even om mij heen en bedenk me dan dat ik een flinke poos op de grond gezeten moet hebben. Het lijkt alsof ik er een paar minuten gezeten heb. Maar kijkende naar de stand van de zon moeten er tussen het moment dat ik naar het tuinhuis liep en nu toch enkele uren verstreken zijn. 

Wanneer ik verder in de tuin rondkijk lijkt er verder niets aan de hand. De vogels fluiten, de wind wuift een zwoele namiddagbries en mijn gereedschap ligt nog precies daar waar ik het achterliet. Het enige dat er diep en intens verandert lijkt, dat ben ik. Het gevoel dat er iemand in mijn buurt is wordt alleen maar sterker. Maar het verandert ook. Waar het eerst iets onbeduidends, onzeker en een beetje angstig was, is het nu vertrouwd al heb ik geen idee waar het vandaan komt. En dan die sleutel. Ik lijk er mee verbonden te zijn. Het idiote aan dit verbond is echter dat dit object mij op de een of andere manier lichamelijk onbehagen bezorgt. Maar dat het aan de andere kant ook een vertrouwd gevoel geeft waar ik geen afstand van wil doen.

<Hoofdstuk 3                                                                                                                   Hoofdstuk 5>

De Sleutel -3-

De Sleutel

Als ik wakker word schijnt er een heerlijk ochtend zonnetje, door de spleetjes in de rolluiken, onze slaapkamer binnen. Hugo wordt ook wakker en vraagt me of ik uitgerust ben. Ik denk het wel, hoezo? ‘Je bent gistermiddag in slaap gevallen op de bank en je was met geen mogelijkheid wakker te krijgen, dus heb ik je maar laten liggen. Ik schrok wakker toen je vannacht boven kwam.’ Boven kwam? Ik kan me daar niets van herinneren. Ik vertel Hugo over mijn vreemde droom. In mijn beleving heeft die ervaring niet meer dan 20 minuten in beslag genomen, toch lijk ik een hele dag kwijt te zijn. Al dat ik weet is dat ik vanaf de bank door het plafond boven geraakt ben. 

‘Doe niet zo mal, je hebt liggen dromen’ zegt Hugo. Je zal wel weer te lang in de zon gelegen hebben. Doe het vandaag maar wat rustig aan. Hugo staat als eerste op en vertrekt richting badkamer. Ik blijf nog even liggen. Het is zondag, we hebben geen haast. En ik voel me toch niet helemaal lekker. 

Als Hugo klaar is op de badkamer loopt hij naar beneden. Ik besluit toch maar op te staan. Wanneer ik mijn benen naast het bed plaats gaat er een pijnscheut vanaf mijn hak richting kruin. Auw! Wat is dat?  Als ik mijn voet verplaats zie ik meteen wat de pijn veroorzaakte. Een sleutel. De sleutel die ik gister in de tuin gevonden heb. Die moet ik vannacht van mijn nachtkastje gestoten hebben. Want hij ligt nu naast mijn bed.

Ik kan me echter niet herinneren dat ik die sleutel daar neergelegd heb. Ik raap hem van de grond en kijk er aandachtig naar. Geen bijzonder object. Gewoon een saaie sleutel. Nog te suf om er verder over na te denken leg ik hem terug op mijn nachtkastje, naast mijn telefoon. Ik loop naar de badkamer en ga onder een lauwe douche staan.

Hoewel ik na een verfrissende douche me normaal gesproken fit voel, is het deze ochtend weinig doeltreffend. Ondanks dat ik gistermiddag op de bank belandde en tot nu, de late zondagochtend, me niet veel meer dan een bizarre droom kan herinneren en ik dus vermoed dat ik al die tijd geslapen moet hebben, ben ik doodmoe. Een allesoverheersende vermoeidheid. Mijn ledematen voelen als van lood en ik heb het gevoel dat er op een nare manier een soort elektriciteit door mijn lijf loopt dat mijn lichaam zwaar er log maakt.

Suf loop ik van de badkamer terug naar de slaapkamer waar ik weer op bed plof. Zuchtend hijs ik me in mijn kleren. Beneden hoor ik Hugo bassen. Zo te horen heeft hij er zin in. Meestal is hij degene met een lange opstart in de ochtend. Maar vandaag is anders. 

Met wat geworstel lukt het me toch mijn kleren aan te krijgen. Ik doe uit routine een paar oorbellen in en zet mijn bril op. Als ik naar mijn nachtkastje loop om mijn telefoon te pakken merk ik de pijnlijke plek aan mijn hak op. In een flits denk ik aan de sleutel, die ik gister tijdens het tuinieren vond en waar ik vanochtend, toen ik uit bed stapte, zo pijnlijk op stapte. Ik neem mijn telefoon van het nachtkastje en blijf staan bij de aanblik van de sleutel die daar nog steeds ligt. 

Gek, ik herinner me eigenlijk alleen dat ik hem op de tuintafel legde. Volgens mij heb ik hem niet eens meer mee naar binnen genomen. Laat staan dat ik een goede reden kan bedenken waarom ik hem op mijn nachtkastje leggen zou. 

Starend naar de sleutel twijfel ik even of ik hem op zal pakken. Er bekruipt me een onbehagelijk gevoel dat mijn lichaam in een rilling van zich af probeert te slaan. Ik strek mijn arm en rijk twijfelachtig naar de sleutel. Hoewel mijn gevoel zegt ‘niet doen’ verteld mijn verstand dat ik me niet aan moet stellen. Op het moment dat ik de sleutel aanraak vliegt er een pijnscheut door mijn beide voeten die ik voel tot in mijn kruin. Als door de bliksem geraakt zak ik door mijn knieën.

Wanneer ik weer wat op adem gekomen ben hoor ik dat Hugo is gestopt met bassen. Hij moet mij hebben horen vallen en staat nu onder aan de trap ‘Rosalie gaat alles goed?’. Omdat ik hem niet ongerust wil maken en omdat ik mezelf gerust wil stellen zeg ik dat alles goed is en dat ik naar beneden kom. 

Terwijl ik opsta kijk ik naar de sleutel die ik toch in mijn hand blijk te hebben. Ik schud mijn hoofd. Flauwekul, deze sleutel kan onmogelijk iets met mijn lange slaap, vermoeidheid en pijnscheut te maken hebben. Stom toeval, ik zal wel iets onder de leden hebben. Te veel hooi op mijn vork genomen de laatste tijd, wat lage weerstand, zoiets. Zonder verder na te denken stop ik de sleutel in mijn zak en loop de trap af.

Beneden gekomen loop ik de keuken in. Neem de yoghurt en bosbessen en maak mijn ontbijt. Gelukkig is het vandaag wat koeler. Tijd om weer wat te ondernemen. De tuinwerkzaamheden van gisteren kan ik wel weer oppakken. Als ik door het keukenraam naar buiten kijk zie ik dat dat nodig is ook.

Na mijn ontbijt loop ik de garage in en pak een emmer, schoffel, hark en schep om daarmee vervolgens de tuin in te lopen. Ik besluit verder te gaan waar ik gisteren gebleven was. De heggewinde dartelt vrolijk door mijn border, terwijl mijn planten het toch duidelijk lastig hebben met de aanhoudende droogte. Ik peuter deze oersterke ongewenste groene gast voorzichtig tussen mijn planten en struiken vandaan en vraag me af waar hij de energie vandaan haalt in deze onuitputtelijke lange droge zomer.

Plotseling is er dat gevoel. Het gevoel dat je niet alleen bent. Ik ga recht staan en kijk achterom. Achter me zie ik het beeld staan dat we ooit kregen van een oude buurman. Een vrouwentorso in steen. Ik glimlach bij de gedachte dat zij mij onmogelijk aan kan staren omdat ze niet in het bezit is van een hoofd. Het gevoel negerende ga buig ik mij weer over die verdomde heggewinde.

Hoewel het me een poos lukt het gevoel te negeren, negeert het gevoel mij duidelijk niet. Inmiddels voel ik me er behoorlijk ongemakkelijk bij. Ik stop weer met wieden en draai me nogmaals om. Ik zie niks, maar ik voel het wel. Heel gek. Zou er toch iets zijn?

< Hoofdstuk 2 ————————————————————————- Hoofdstuk 4>

De Sleutel – 2 –

De Sleutel -2-

Eenmaal binnen zoek ik de verkoeling van de airco op. Waar voorheen dit soort dagen eerder uitzondering waren dan regel lijkt er nu een zomer aangebroken zonder einde. Zelfs de airco zucht onder de aanhoudende hitte en weet de kamertemperatuur met moeite naar een graad of 25 te brengen. Ik besluit dat dit toch de meest aangename plek is om een dag als deze door te brengen en mijn activiteiten te staken tot het vanavond weer wat koeler wordt.

Ik hervat het lezen van mijn boek binnen op de bank. Lezen, meer zit er niet in vandaag. Laat ik er maar van genieten. Gewoon hier in de redelijke koelte van mijn woonkamer met een boekje en een drankje op de bank. 

Met enkel het ruisende geluid van de airco op de achtergrond verdwaal ik al snel in mijn boek. Zonder afleiding razen de letters langs mijn ogen, ik ga op in het prachtige verhaal. Maar het monotome geruis op de achtergrond en de hitte maken dat ik langzaamaan het verhaal kwijtraak. Mijn oogleden worden zwaarder en ik merk dat de letters in mijn hoofd geen woorden meer vormen, laat staan zinnen. Ergens tussen waak en slaap merk ik dat ik het gevecht tegen mijn moeheid niet ga winnen. Mijn ogen vallen dicht en al snel beland ik in een andere wereld.

Weer die stilte, doodse stilte, zo oorverdovend stil. Ik hoor de airco niet meer, maar voel wel zijn koele wind over mijn huid blazen. Andere geluiden hoor ik ook niet. De vlieg die me eerder vandaag plaagde met zijn gezoem lijkt pauze te hebben en ook van buiten lijken geen geluiden meer te komen. Dan ineens dat gevoel, als kind had ik het wel vaker, maar dat is al zoveel jaren geleden. Ik lijk los te komen van de bank, voel mezelf heel licht en vrij. Ik zweef door de kamer die als een zacht vacuüm om mij heen lijkt te zijn gedrapeerd. 

De doodse stilte houdt aan terwijl ik omhoog zweef. Het plafond komt steeds dichter bij. Het vrije gevoel dat het zweven in mijn droom mij als kind altijd gegeven heeft verdwijnt als ik mij besef dat ik niet zomaar zweef, maar lijk te drijven in de kamer. Ik drijf omhoog en hoe hard ik ook mijn best doe ik kan de richting van mijn droomvlucht niet sturen.

Terwijl ik zo richting plafond drijf probeer ik mijzelf tevergeefs wakker te maken. Wanneer ik in een laatste wanhopige poging een botsing met het plafond probeer te voorkomen door mijn armen te strekken blijkt het plafond ineens geen vaste substantie te bezitten. Ik zweef door het plafond heen langs de balkenlaag de tussenruimte tussen het plafond van de woonkamer en de vloer van de slaapkamer in. Ik zie er allerlei leidingen lopen en verder vooral veel stof. Voor ik besef wat er allemaal gebeurt ben ik al in mijn slaapkamer aangekomen.

Hijgend en badend in het zweet schrik ik wakker. Het is donker. Voordat ik me kan afvragen waar ik ben voel ik een hand langs mijn rechterarm gaan. Ik schrik, maar hoor tegenlijk een bekende stem. Hugo, mijn man, zegt: ‘Heb je toch maar besloten naar boven te komen?’ Ik snap de vraag niet, weet ook eigenlijk niet zo goed hoe ik dan boven terecht gekomen ben. Al dat ik mij herinner is dat ik vanmiddag op de bank in slaap gevallen ben. En die vreemde droom. Maar verder niks. Hoe laat zou het eigenlijk zijn?

Wanneer ik mijn arm strek naar de plek waar normaalgesproken mijn telefoon ligt stoot ik iets van het nachtkastje, dat ik vervolgens op de houten vloer hoor vallen. Uiteindelijk vind ik mijn telefoon en zie ik dat het half twee is. Ik heb geen idee wat er tussen datzelfde tijdstip vanmiddag en nu allemaal gebeurt is, maar wel dat ik er niet van uitgerust ben. Ik besluit er niet verder over na te denken en val snel weer in slaap.

< Hoofdstuk 1 —————————————————————– Hoofdstuk 3 >

De Sleutel – 1 –

De Sleutel -Hoofdstuk 1-

Het is een warme zaterdag in een uitzonderlijk warme droge zomer, ergens begin juli.
Behalve dat het al tijden niet geregend heeft en mijn planten snakken naar wat hemelvocht, is het geen bijzondere dag.

Ik zit lekker onder mijn parasol in mijn tuin en probeer een boek te lezen. Om de een of andere reden kan ik de rust niet vinden en besluit ik mijn boek weg te leggen. Ik sta op, loop naar een van de borders in mijn tuin en ga op de rand zitten. Een beetje wroeten in de aarde geeft mij altijd rust. Ik vind er de tijd om afgeleid na te denken over van alles en nog wat.

Zonder dat ik erbij nadenk trek ik wat ongewilde groene bezoekers uit de aarde en peuter ik hier en daar wat stenen los. Door de aanhoudende droogte is de aarde hard geworden. De wortels van mijn geliefde planten hebben moeite met het vinden van de laatste druppeltjes vocht en de enorme dichte klomp aarde die hen omsluit maakt het niet gemakkelijker.

Ik besluit een hark te halen in de schuur. De aarde in mijn tuin heeft nodig weer wat aandacht nodig en ik hou van tuinieren. Voorzichtig woel ik met de hark de aarde los. Ik probeer de wortels van mijn planten met rust te laten en manoeuvreer mijn hark tussen hen door.

Opeens voel ik dat er iets aan mijn hark blijft steken. Ik krijg het niet goed los en geef een flinke ruk om mijn hark uit de aarde te bevrijden. Tot mijn verbazing hangt er een sleutel aan een van de tanden te bungelen alsof ik hem gewonnen heb in een van de grijpautomaten op de kermis. Mijn hark blijft wel vaker hangen, maar dan blijkt hij meestal vast te zitten achter een wortel van de oude kersenboom in mijn tuin. Nooit eerder haalde ik er een dergelijk voorwerp mee tevoorschijn.

Van wie zou de sleutel zijn? En hoe lang ligt hij er al. Ik tuinier geregeld en moet hem dus in al die jaren telkens gemist hebben. Nu bleef hij dan toch toevalligerwijs aan mijn hark haken.

Omdat ik het een mooie sleutel vind leg ik hem op de tuintafel en ga verder met de werkzaamheden in mijn tuin. Toch laat hij me niet los. Het object blijft me trekken. Het is geen bijzondere sleutel. Hij ziet er niet eeuwenoud uit. Maar toch,… het patina zegt me dat hij er al tijden liggen moet. Zelfs al van lang voor ik hier kwam wonen. En al die tijd, tientallen jaren heeft niemand het pad van deze sleutel gekruist.

Waarom kom ik juist op deze drukkend warme dag deze sleutel tegen? Waarom bungelde hij haast triomfantelijk aan een van de tanden van mijn hark? Het lijkt bijna alsof hij me iets wil vertellen.

Hoofdschuddend besluit ik de werkzaamheden in mijn tuin te staken, veel te warm. Ik ruim de spullen weer netjes op in de schuur en denk verder niet meer na over mijn vondst.
Toch maar dat boek. Veel meer beweging zit er niet in met deze hitte.
Ik loop naar binnen en vul een kan met wat ijs en heerlijk koel water. Samen met een glas, wat fruit en dat ene boek dat ik al tijden lezen wil vertrek ik weer naar buiten.

Ergens halverwege het eerste hoofdstuk valt het me ineens op dat het stil is buiten. Niet lekker rustig, maar ongewoon. Doodstil, geen takje beweegt en geen vogel zingt. Alle auto’s lijken stil te staan en zelfs de mieren staken. Helemaal geen geluid klinkt ineens oorverdovend.

Maar dan ineens, is er dat ene geluid. Ik heb het al vaker gehoord. Het lijkt op een uil, maar die roepen nooit overdag. Ik stop met lezen en luister of ik het geluid weer hoor.
Ja, nu hoor ik het duidelijker. Een uil, overdag. Vreemd. Verder nog steeds doodse stilte.

Er bekruipt me een raar gevoel, een rilling over mijn hele lijf. Ik hoor de roep nogmaals, nu lijkt hij dichterbij. De uil, of wat het dan ook is, lijkt mijn kant op te komen. Nogmaals, nu nog duidelijker. Ik weet het zeker, datgene dat roept komt mijn kant uit. Of ga ik de kant uit van deze roep? De onuitputtelijke stilte doet me duizelen en de steeds intenser wordende roep lijkt mij aan te zuigen. Alles draait en duizelt, vormen vervagen, kleuren lopen door elkaar heen. Wat gebeurt er? Ben ik bevangen van de hitte? Hoe kom ik hier vandaan?

Ineens, een windvlaag, een donkere schim raast over mij heen. De roep, het geluid, ik voel het in elke vezel van mijn lichaam. Ik ervaar het geluid zo veel intenser dan mijn oren aankunnen. Er valt iets in mijn schoot. Ik kan niet zien wat het is. Ik lijk versteend door de ervaring en kan nergens heen.

Dan, zo plots als het gekomen is, verdwijnen de vreemde vormen en kleuren. De lucht is weer helderblauw en de zon schijnt hoog aan de hemel. In de boom van de achterburen kwetteren de mezen er lustig op los en ik hoor de buurman thuiskomen. Alles wat er net gebeurde, elke ervaring, lijkt weg te stromen alsof iemand de stop uit het bad getrokken heeft.

Ik voel mijn lichaam op een vreemde manier weer tot rust komen en ga rechtop zitten.
Dit was een hele vreemde droom. Ik moet even in de schaduw gaan zitten en wat water drinken. Wellicht heb ik een zonnesteek.
Op het moment dat ik opsta hoor ik iets op de grond vallen. Ik kijk naar beneden en zie dat er een sleutel op de grond ligt, precies tussen mijn voeten. Terwijl ik mij buk om hem op te rapen realiseer ik mij dat het om dezelfde sleutel gaat die ik eerder vanmiddag tijdens het tuinieren met mijn hark gevangen had.
Ik raap de sleutel op en leg hem terug op tafel. Hij moet tijdens mijn droom van tafel in mijn schoot gevallen zijn. Terwijl ik hem op tafel leg bedenk ik mij dat ik het veel te heet buiten vind en het beter is dat ik mij naar binnen verplaats.

Ik loop naar binnen en steek mijn hoofd onder de koude kraan. Heerlijk! De verkoeling doet mij goed. Met mijn natte hoofd loop ik naar buiten om mijn spullen te pakken. Genoeg zon voor mij vandaag besluit ik.

< Voorwoord                                                                                          Hoofsdtuk 2 >

De Sleutel -Voorwoord-

De Sleutel

De inspiratie voor dit verhaal ontstaat ergens halverwege de zomer van 2018. Het start allemaal bij een bijzondere vondst in mijn eigen tuin. Ik raak erdoor gefascineerd en geïnspireerd.

‘De sleutel’ is een fictief verhaal vol wonderen, dromen en een snufje werkelijkheid.
De personages bestaan echt. Ze maken deel uit van mijn leven en zijn in die zin een belangrijk deel in mijn verhaal.

Hoewel fictief zitten er in ‘De sleutel’ gevoelens en ervaringen die mijn eigen leven raken. Ik heb naar kleine aanleidingen en verwonderlijke gebeurtenissen gezocht en hen vaste vorm gegeven in dit fantastische verhaal.

Over de werkelijke inhoud van ‘De sleutel’ wil ik in dit voorwoord niets kwijt. Het is mijn intentie om de lezer mee te nemen op een reis met onbekende bestemming. De reis die ik als schrijver gemaakt heb was mij vooraf in grote lijnen bekend. Toch heb ook ik me laten verrassen door de wendingen die ‘De sleutel’ tijdens het schrijven aan mij gaf.

De komende tijd zal ik elke week, bij wijzen van feuilleton, een hoofdstuk van ‘De sleutel’ plaatsen in dit blog. Ik ga je meenemen op een bijzonder avontuur en wil je vast bedanken voor het geestelijk verwerken van mijn hersenspinsels.

Rosalie Royen
Gronsveld, December 2018

Hoofdstuk 1>

© 2021 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑