CategorieHet Feuilleton

De sleutel -het slot-

het slot

Daar is het weer! Dat geluid. Ik sper mijn ogen wijd open en spits mijn oren. Het is inmiddels weer ochtend. Ik werd gewekt door de roep van die uil die mij lijkt te achtervolgen. Of achtervolg ik de uil? Het is mij niet helemaal duidelijk.

Als ik om me heen kijk zie ik de wereld beneden mij en herinner ik me dat ik hier gister strandde. Met mijn voeten stram en pijnlijk kruip ik naar de rand van de afgrond en ga ik recht zitten, mijn benen bungelen naar beneden. Als ik de afgrond in kijk bedenk ik me dat dit mij helemaal niet beangstigd. Ik heb nooit hoogtevrees gehad, maar de moed om werkelijk op de rand van zo een afgrond te gaan zitten met mijn benen de diepte in bungelend heeft me altijd ontbroken. Nu doet het me niks. Geen angst voor de diepte. Geen angst voor de pijn. Gewoon niks.

Terwijl ik me daar over verbaas klinkt het weer hard en schel. Die uil begint me nu toch langzaam aan te irriteren. Ik kijk in de richting van het geluid. Ik zie wel wat vogels vliegen maar er zit geen uil bij. Dan nog een keer, nu dichterbij, weer die roep! Als ik in de richting van het geluid kijk zie ik in een flits iets naderen. In mijn poging het projectiel te ontwijken klap ik achterover in het gras. Ik zie nog net wat bruine en blauwe veren.

Mijn verbazing is nog niet helemaal gezakt als ik een schaterlach achter mij hoor. Dat klinkt heel menselijk. Ik was ervan overtuigd dat ik hier alleen was. Blijkbaar had ik dat mis.
Als ik recht ga zitten en achter mij kijk zie ik een gaai die vlakbij op het gras is gaan zitten Die uil. Het was geen uil…
Gaaien zijn net papegaaien. Ze doen andere vogels na en deze vond het blijkbaar grappig mij te doen geloven dat zij een uil was.
Nog naar de gaai kijkende zie ik in mijn ooghoek iets dichterbij komen. Als ik opkijk zie ik een man. Hij loopt niet, maar verplaatst zich zitten. Zittend en lachend. Schuddend van het lachen.

Inmiddels moet ik er zelf ook om lachen. Van alle vreemde zaken die ik de afgelopen tijd ben tegengekomen is deze gaai mij wel heel gewoon. Ik ben gek op kraaien en kraaiachtigen. De gaai hoort daar ook zeker bij en ik ken zijn trucjes, maar nu had deze me toch bij de neus.

De man die inmiddels naast mij zit, in een flitse groene rolstoel met een paar stevige banden, opent het gesprek met: ‘Wat leuk dat je ook hier bent! Kennen wij elkaar ergens van? Ben jij ook betoverd door die gemene heks? Wat hebben we gemeen?’Jeetje, dat zijn ineens heel veel vragen. Het enige dat ik uit weet te brengen is ‘ik heb geen idee’.
De man kijkt me wat verbaasd aan. Ik bedenk me dat ik met dat ene antwoord er niet vanaf kom, al lijkt het al zijn vragen te beantwoorden, dus licht ik mijn woorden toe.

Ik weet niet of ik je ken. Je komt me bekent voor, maar ik heb je nog nooit gezien geloof ik. Van een gemene heks weet ik niks. Ik vond een sleutel in mijn tuin. De sleutel bezorgde me veel pijn, maar zonder kon ik niet meer zijn. Ik volgde de weg van de sleutel en vond een deur. Ik opende de deur en kwam in een totaal nieuwe wereld terecht. Ik heb me verwonderd over de dieren en de planten. ’s Avonds tuurde ik naar de sterren. Ondanks de pijn is de wereld nog even mooi. Ik voel me vol leven en nieuwsgierigheid. Ik wil ontdekken en verkennen. Hier voel ik mij thuis.

De man glimlacht en zegt ‘Ik rol hier al een tijdje rond. Een gemene heks betoverde mij. Ze gaf me pijn en nog veel meer. Ze dacht dat ze met haar betovering mijn vreugde breken kon. Maar dat lukte haar niet. Ook ik vond een sleutel. De sleutel nam mijn pijn niet weg. Het opende wel een deur. De deur die ook jij opende, de poort naar verwondering. En nu ben ik hier al een tijdje, met alle lieve mensen om mij heen, maar ik mis een betoverd wondermaatje. Er zijn er meer zoals wij, betoverd. Maar bij hen is de betovering volledig aangeslagen. Ze sjokken door het leven zonder verwondering of vreugde.’

Mijn hoofd tolt een beetje, betovering? Gemene heks? Dat soort dingen horen toch in sprookjesboeken? Ik ben hier veel te nuchter voor. Ik kijk nog eens goed om me heen. Ineens zie ik het. Ik ben thuis. Gewoon waar ik zijn moet met alle mooie mensen om mij heen. En tegelijkertijd bevind in me in een wereld die zij niet kennen. Zou dat de betovering zijn waarover hij spreekt?

Ik denk dat enige verbazing van mijn gezicht af te lezen valt. Dus vult hij zijn verhaal aan met: ‘ Jij lijkt meer zoals mij. Betoverd, maar toch het verwonderen niet verleert. Jij loopt nieuwsgierig door deze wereld van wonderen. Je denkt na, leest en vraagt net als ik. Jij bent betoverd, anders zou je hier niet zijn, maar je bent je verwondering niet verloren.’

Ik heb geen heks gezien, tenminste dat denk ik. Die rare sleutel heeft wel iets met me gedaan. Misschien hangt mijn betovering samen met het vinden van de sleutel en heb ik daarom geen heks gezien. Ineens vraag ik me af of mijn betovering mijn leven verrijkt heeft.

Nog voordat ik daar een antwoord op bedenken kan ratelt de man verder. ‘Ik ben Paul trouwens. Ik woon samen met mijn vrouw en drie vrolijke katten ergens in het oosten des lands. Ik denk dat wij het best goed vinden kunnen.’ Terwijl hij dat zegt steekt hij zijn rechterhand naar mij uit. Het is duidelijk dat hij de mijne schudde wil. In zijn hand zie ik een afdruk. Even kijk ik naar de afdruk in mijn eigen hand en denk aan de betovering waar hij over sprak. Die heks die ons beiden ongemak bezorgde heeft misschien toch iets goed gedaan.
Ik twijfel niet en druk mijn hand in de zijne. Ik ben Rosalie. ‘Hey Rosalie, laten we vrienden worden.’ Stelt Paul zonder twijfel voor. ‘Ja, laten we dat doen’ antwoord ik…

<Hoofstuk 14

De sleutel -14-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Als ik weer wakker wordt zijn de sterren al lang verdwenen. Stijf en stram rek ik mij uit en kijk ik over de vlakte die ik gisteren onder mij liet toen ik een veilig heenkomen zocht in deze boom.
Ik denk nog aan de sterrenhemel die ik gisteravond zag. En aan de voor mij vreemde omgeving waarin ik mij nu bevind. Wat heeft het donkere wezen daar mee te maken en wat voor creaturen leven hier nog meer?

Voordat ik het antwoord op die vraag bedenken kan hoor ik een bekend geluid. De uil is terug! Ze roept luid en duidelijk. Ik kijk om me heen maar kan haar nog steeds nergens ontdekken. Misschien zit ze ergens tussen het hoge gras en kan ik haar daarom niet zien. Ik besluit af te dalen uit mijn boom en mijn weg in de richting van het geluid te vervolgen.

Al bij mijn eerste stappen word mijn realiteit weer pijnlijk duidelijk. Het uit de boom komen was niet eerder zo een uitdaging. De druk van de smalle takken onder mijn voetzolen doen de pijn naar grote hoogten schieten. Ik zet door, ik moet weer uit deze boom geraken. Er zit simpelweg niks anders op. Ik verbijt de pijn en al snel sta ik weer op vaste bodem.

De roep van de uil houdt aan en wanneer ik een paar passen gezet heb tussen het hoge gras steekt er een forse wind op. Even blijf ik staan. Het gras waait alle kanten op en het stof blaast in mijn ogen. Wanneer de wind gaat liggen heeft zich een pad gevormd. Recht voor mij, dwars door het gras. Ik weet even niet goed of ik nu verbaasd ben of juist niet. Het pad lijkt in de richting van de roep te wijzen en dus besluit ik het te volgen.

Als ik een paar honderd meter heb afgelegd valt me ineens op dat het is gestopt. De uil. Ik hoor haar al een tijdje niet meer. Het pad bevindt zich echter nog steeds recht voor mij en lijkt ook niet meer op te gaan in de onoverzichtelijke massa hoog gras. Ik probeer te ontdekken waar ik nu heen ga. In het gras ontdek ik veel kleine en minder kleine insecten. Bidsprinkhanen, mieren, spinnen en spinachtigen kruipen over elkaar heen en langs elkaar door. Met mijn insectenhart kijk ik mijn ogen uit terwijl ik verder loop. Ik heb geen idee waarheen.

Dan, plots, komt er hoorbaar beweging in het gras. Ik stop om goed te kunnen luisteren. Het is nog steeds windstil op deze wederom warme dag. Ik beweeg niet, maar het geluid blijft aanhouden. Sterker nog, het lijkt mijn kant op te komen. Iets anders dan ikzelf of de wind veroorzaakt beweging in het gras. Stokstijf blijf ik staan als het geluid hoorbaar blijft naderen. Wat moet ik doen?

Terwijl ik vragend om me heen kijk zie ik plots voor mij 3 giraffen opdoemen, ze lopen richting het pad en kruisen het uiteindelijk ook. Ze lijken zich niet bewust van mijn aanwezigheid en sjokken rustig verder. Ik geloof mijn ogen niet! Waar komen die nu vandaan? Waar ben ik in hemelsnaam beland? Ik kijk ze een eindje na, niet goed wetende wat ik hiervan denken moet. Uiteindelijk besluit ik verder te lopen. Hier blijven staan heeft weinig zin.

De hele dag ploeter ik over de oneindige grasvlakte. Inmiddels ben ik mijn gevoel voor richting goed kwijt. Ik volg het pad en kijk om me heen. Meer dan hier en daar wat struiken zie ik niet tegen. Het heetst van de dag heb ik gehad. De zon zakt langzaam richting horizon. Ik kijk om me heen op zoek naar wederom een slaapplaats en af en toe bekijk ik de zakkende zon. Als hij ondergaat is het stikdonker, de maanloze nacht toont haar velen constellaties, maar die geven niet voldoende licht om het donker te verjagen.

Ik overweeg een paar struiken maar dichterbij gekomen doen de lange dorens mij wij weinig behaaglijk aan. Ik besluit nog wat verder te lopen. Wanneer ik, de inmiddels, oranjerode bal laag aan de hemel nogmaals bekijk valt me iets op. Het lijkt wel of daar in de verte het gras stop. Er zijn geen bomen, en geen struiken. De glooiing in het landschap lijkt verdwenen.

Verbaasd besluit ik van het pad te wijken en naar het einde van deze vlakte koers te zetten. Ineens maak ik me niet meer druk over de invallende schemer. Ik wil weten wat daar aan het einde van de vlakte zich bevindt. Een nieuwe wending, een nieuwe wereld? Of gewoon de rand van ons bestaan?

Omdat het langzaamaan door de zakkende zon koeler wordt kan ik meer meters maken. Het lijkt wel of deze richting mij aantrekt. Ondanks de pijn en vermoeidheid zet ik door. Wanneer het einde van de dag lijkt te naderen hoor ik duidelijke een ruisend geluid. Water! Veel water! Ik kijk om mee heen maar zie geen water. Nog nieuwsgieriger zet ik door.

Nu ik nog maar een paar meter van het einde van deze vlakte verwijderd ben zie ik dat de wereld hier niet eindigt. Hij gaat omlaag. Ik nader een afgrond. Wat zal dat te betekenen hebben en wat bevindt zich daar beneden dan?

Eenmaal de afgrond bereikt weet ik niet waar ik kijken moet. Het ruisende water komt van een waterval die zich 100 meter links van mij bevindt en woest naar beneden klettert. Beneden is ook zeker 100 meter ver. Er meandert een rivier door het landschap beneden. Ik zie groen gras, water bomen en struiken. En ik zie dieren. Veel dieren. Ondanks dat alles ver weg is kan ik ze allemaal onderscheiden. Olifanten, giraffes, nijlpaarden op de vlakte. Vogels in de lucht. Papegaaien, kauwtjes en andere kraaiachtigen, meeuwen, parkieten alles lijkt door elkaar te fladderen.

In de bomen zie ik apen, eekhoorns en nog meer vogels. Onder de bomen… onder de bomen zie ik de zwarte schim die ik eerder tegenkwam. Ik schrik ervan. Een enorme zwarte aap die rustig van de bladeren snoept en zich langzaam maar zelfverzekerd voortbeweegt. Een gorilla! Waar ben ik in hemelsnaam beland en hoe kan ik zo ver van huis zijn en toch heel dichtbij?

De lucht is inmiddels diep paars en de zon is achter de horizon verdwenen. De temperatuur is gedaald maar het is nog steeds aangenaam. En daar zit ik dan, aan het einde van die grote vlakte en aan het begin van een nieuwe wereld. Niet meer nagedacht hebbende over een plek om te overnachten laat ik mij achterover vallen in het gras. Kijkend naar de sterren bedenk ik me dat ik geen idee heb waar ik morgen heen moet gaan. Er flitsen allerlei gedachten door mijn hoofd, ik voel mijn oogleden zwaarder worden en uiteindelijk val ik toch weer in slaap.

 

<Hoofdstuk 13.                                                                                                         Het slot>

De sleutel -13-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Als ik omhoog kijk kan ik de blauwe hemel door het lichte bladerdak nu goed zien. Er zitten allerlei dieren in de bomen. Voornamelijk vogels en eekhoorns en kleine apen.
Apen? Waar komen die nu ineens vandaan? Voor het eerst sinds het betreden van deze nieuwe wereld vraag ik mij weer hardop af waar ik nu eigenlijk beland ben. Ik ben duidelijk niet in een dierentuin, maar ook niet in het bos even verderop in ons dorp. Even blijf ik staan kijken naar de vrolijk slingerende lenige wezens. Dan besluit ik door te lopen, verder richting het licht.

Bomen maken langzaam plaats voor struiken en struiken verworden tot gras. Ineens sta ik op een vlakte. Zo ver ik kijken kan is er gras met hier en daar een verdwaalde boom of kleine struik. Nu weet ik zeker dat ik me niet meer in mijn achtertuin bevind. Het bos dat ik nu achter mij laat was gaan voelen als een comfortabele veilige jas. Maar deze vlakte is voor mij nieuw. Het hoge gras biedt wellicht enig bescherming maar ontsnappen aan de felle zon kan ik hier niet meer.

In de verte zie ik een grote oude boom staan. Ik besluit er heen te lopen om daar een goede plek te vinden om te overnachten. De boom geeft me schaduw en beschermt me tegen mogelijke andere wezens. Als ik er heen loop zie ik dat er verder niet veel te vinden is bij deze boom. Hoe ver ik ook tuur, ik zie alleen maar gras. Het gras deint op de warme wind en af en toe zie ik het bewegen in een richting die de wind niet past. Er moeten dus ook andere wezens hier aanwezig zijn, maar door het hoge gras blijven ze onzichtbaar voor mij. De vraag is of ik dan ook onzichtbaar ben voor hun.

Ik besluit daarom niet onder de boom te slapen maar er in. De kleine apen, vogels en eekhoorns uit het woud lijken me geen bedreiging voor mij. Maar wat zich op de grond begeeft weet ik niet en dus neem ik liever het zekere voor het onzekere. Ik vind een plek in de boom waar ik gemakkelijk kan liggen en daarnaast kan ik zo ook nog een eind over deze grasvlakte kijken naar al dat zich misschien in mijn richting begeeft.

Langzaam zakt de zon achter de horizon en prachtige kleuren vormen zich aan de lucht. Eerst geel en rood en daarna een prachtig oranje dat plaats maakt voor het dieppaars en zwart van de nacht. Als de sterren aan de hemel verschijnen is het zo donker in de maanloze nacht dat ik de melkweg voor het eerst echt aanschouwen kan. Ik zoek naar de mij bekende sterrenbeelden maar vind er geen. Dan valt mijn oog op iets dat ik wel ken, maar nooit eerder echt zag. Het zuiderkruis. Dat kan toch niet? Het zuiderkruis is een constellatie die je alleen kunt zien aan de sterrenhemel onder de evenaar en dus nooit aan de Nederlandse hemel te zien is. Omdat ik denk dat ik mij vergis probeer ik nogmaals Orion, Stier of de grote beer te ontdekken. Helaas zonder resultaat. Een beetje argwanend graaf ik in mijn geheugen naar de sterren van het andere halfrond. Als ik de hemel afspeur naar bekende patronen kan ik wel de pauw , het watermonster en de centaur ontdekken. In mijn hoofd draait het een beetje. Hoe kan in in hemelsnaam nu naar de hemel van het zuiderlijk halfrond zitten kijken? Moe en met een hoofd vol vraagtekens van ik in slaap.

<Hoofdstuk -12-                                                                     Hoofdstuk 14>

De sleutel -12-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Af en toe dommel ik weg, om dan weer wakker te schrikken van krakende takken en sluipende wezens in de nacht. Ik moet op een gegeven moment toch echt in slaap gevallen zijn want als ik weer wakker word zie ik dat de nacht plaats heeft gemaakt voor de dag. Een prachtige zon vult met haar licht een strak blauwe hemel. Van het vuur dat ik gisteren stookte rest enkel een smeulend hoopje kolen.

Als ik recht ga zitten zie ik dat er deze nacht niet veel veranderd is in het bos. De struiken hebben geen plaats gemaakt voor een pad en de open plek bij de grot is niet verandert in een oase van madeliefjes en heerlijk groen gras.

Als er niets veranderd is moet ik het pad dat ik gisteren verliet kunnen terugvinden om van daaruit mijn weg te vervolgen. Ik sta op en gemankeerd loop ik mijn eerste passen. Die pijn is niet weg te denken, maar toch moet ik verder. Ik vind mijn tred weer en stap in de richting vanwaar ik gisteren gekomen ben.

Na een korte wandeling kom ik op de tweesprong die ik verlaten had. Blijkbaar heb ik toch een keuze. Het woud dat mij genadeloos liet weten dat ik het niet voor het zeggen had lijkt nu ineens toch mijn vrije wil te respecteren. Maar hoe maak ik een keuze wanneer ik niet weet welke richting mij wat brengen gaat.

Ik blijf staan op de tweesprong en kijk eerst een poos naar het linkerpad. Dan draai ik, om ook het rechterpad te bestuderen. Beide bospaden zien er even vriendelijk als vijandig uit. Net als ik me om wil draaien om toch ook nog een keer de linkerkant te overwegen schiet er een schim voorbij. Dezelfde zwarte schim als gisteren. Het lijkt zich op te houden op het rechterpad. Even twijfel ik, maar al snel kom ik tot de conclusie dat mijn nieuwsgierigheid groter is dan mijn angst. Waarschijnlijk weet de schim van mijn aanwezigheid. En hoewel ik niet weet waar het mij naartoe zal leiden, weet ik wel dat het mij vannacht geen kwaad heeft gedaan.

Vertrouwende op dat gegeven besluit ik rechtsaf te gaan.
Het pad gaat een flink eind recht vooruit. Het bos oogt vriendelijk en ik poog te ontdekken wie zijn bewoners zijn. Ik zie insecten die ik nooit eerder zag en vogels met de mooiste kleuren. Maar ook eekhoorns en daslook. Het lijkt wel of de natuurlijk hier een mengelmoes heeft aangelegd van tropisch en gematigd klimaat. Alles lijkt hier in evenwicht naast elkaar te leven. Een multiculturele samenleving in het bos. Omdat ik me de afgelopen dagen al voldoende verbaasd heb besluit ik deze conclusie maar te laten voor wat hij is.

Verwonderd loop ik door en geniet ik van al het moois dat ik hier mag zien. De zwarte schim lijkt zich echter verborgen te houden, hoe goed ik ook zoek.
Dan ineens zie ik dat een paar meter voor mij het pad lijkt te keren. Ik kan niet meer zien waar het naartoe leidt en moet denken aan de poort waar ik eerder al voor stond. Ook toen maakte het pad een onverwachte wending. De sleutel in mijn hand leek te passen op de aangetroffen deur en een nieuwe wereld ging voor mij open.

Echter de sleutel liet ik steken op de vorige deur. Al dat nog rest is de afdruk van de sleutel in mijn hand. Ik hoop dat ik niet weer voor een gesloten deur kom. Of misschien erger nog, voor precies dezelfde deur als een aantal dagen geleden.

Ik merk dat ik nu toch wel wat zenuwachtig word. Ik zou niet graag het hele stuk weer terug moeten om de vergeten sleutel weer op te halen. Maar om nu weer voor dezelfde deur te staan als eerst zie ik ook niet zitten. Ik wil verder, vooruit en niet steeds dezelfde rondjes draaien.

Als ik het einde van het voor mij zichtbare pad nader zie ik dat het haaks afbuigt naar rechts. Ik twijfel even maar dan besluit ik toch dat er maar een ding op zit. Ik neem de afslag en zie tot mijn verbazing geen deur, maar wederom een nieuw pad. Wanneer ik eenmaal een eind op weg ben op mijn nieuwe route merk ik op dat er iets verandert in het woud. Alles lijkt langzaam aan lichter te worden en de begroeiing wordt minder dicht. Inmiddels kan ik de afzonderlijke struiken en bomen goed zien, ik kan zelfs tussen hen door kijken zonder ze aan de kant te duwen.

Ik stop en kijk goed om me heen. Ik draai om mijn as en neem deze nieuwe omgeving in mij op. Nu de begroeiing zo licht geworden is kan ik misschien de oorsprong van de schim ontdekken. Maar hoe ik ook kijk of draai, ik kan niet ontdekken waar het vandaan komt.

< Hoofdstuk-11-                                                                                                      Hoofdstuk -13->

De sleutel – 11 –

De Sleutel -Hoofdstuk 11-
Als ik wakker word voel ik de warmte van de zon op mijn gezicht. Ik denk aan het tuinfeest en hoe gezellig het was. Aan de late avond en hoe ik alleen nog even in de tuin achterbleef na afloop. Ik herinner me niet dat ik naar de slaapkamer gelopen ben. Vage herinneringen, tuin, uil, afdruk…

Voorzichtig doe ik mijn ogen open. Nog slaperig weet ik niet goed wat ik zie of waar ik ben. Als ik rechtop ga zitten zie ik overal bomen. Ik zie gras om mij heen. De geluiden die ik hoor ken ik niet. En even weet ik niet goed waar ik ben. Dan komt er dat gevoel over mij heen. Dat gevoel dat ik hier thuis ben, ook al weet ik niet waar ik mij bevind.

Langzaam komen er beelden terug. De sleutel, de afdruk, het bos en dit nieuwe woud. Dat was toch een droom? Slaap ik nu of ben ik wakker? Was gister dan een droom, of juist vandaag? Verward sta ik op. Au, mijn voeten, nog steeds. In een reflex kijk ik naar mijn rechterhand. Ja, de afdruk zit er nog. Waar is dat toch goed voor? Ik lijkt wel gemerkt.

Dan kijk ik om me heen. Ik zoek geen eten. Gisteren heb ik zoveel gegeten dat ik nu geen honger heb, denk ik. Waar kan ik nu heen? Een pad zie ik niet. Het woud lijkt me te omarmen. Ik voel me rustig hier. Volledig op mijn gemak. 

Aan de andere kant kan ik hier niet blijven zitten. Ik wil verder. Als ik opsta en mijn eerste stramme pijnlijke passen zet, zie ik hoe mooi het hier is. Ik herinner me dat ik in het bos achter mijn tuin echt heb leren kijken. Verwonderd bekijk ik de vogels met hun prachtige kleuren en luister ik naar dieren die ik nooit eerder hoorde. Mijn verwondering over deze plek doen mij verder lopen. Het woud dat mij lijkt te omarmen wijkt in de richting waar ik loop. Een prachtig pad openbaart zich aan mij en ik besluit het te volgen.

Ik loop een poos door dit nieuwe woud. Ik ruik andere geuren en hoor nieuwe geluiden. Verwonderd loop ik door, over een pad dat ik nog niet ken. Plots schiet er in de verte iets voorbij. Ik kan niet zien wat het is. Maar een grote zwarte schim trekt een eind voor mij langs en verdwijnt dan in het dichte woud. Ik schrik er een beetje van. Blijkbaar ben ik niet alleen. Naast de vogels die ik hoor en de insecten die ik overal rond zie zoemen en fladderen zijn hier blijkbaar ook grotere wezens. 

Even stop ik met lopen. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat ik hier veilig was. De nachten bracht ik tot nu toe gewoon door in de buitenlucht. Maar nu lijkt er ook iets anders in dit woud te huizen en weet ik niet of het verstandig is om er zomaar van uit te gaan dat mij hier niets gebeuren kan. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn onrust en ik besluit voorzichtig verder te lopen. Uitkijkend naar het onbekende wezen loop ik verder. Ondertussen wen ik langzaam aan de geluiden van dit woud. Ondanks dat ik niet weet wie of wat ze veroorzaakt, klinken ze inmiddels vertrouwd. Maar die zwarte schim zit toch nog in mijn hoofd. Heeft het mij ook opgemerkt? Ging het daarom er snel vandoor? Of was het gewoon op doortocht en heeft het geen enkel idee van mijn bestaan?

De zon is inmiddels over haar hoogtepunt en het einde van de dag nadert langzaam. Ik zal hier hoe dan ook de nacht weer moeten doorbrengen. Geen idee hebbende of de wezens in dit woud een bedreiging voor mij zijn bedenk ik me of ik een schuilplaats voor de nacht zoeken moet. Midden in mijn overweging hoor ik ineens takken kraken. Ik kijk achterom, in de richting van het geluid, en zie vanuit de dichte bebossing weer een grote zwarte schim voorbij flitsen. Iets harigs, ik weet nu zeker dat het geen mens is. Maar wat dan? Mijn besluit staat vast. Ik ga op zoek naar een beschut heenkomen voor de nacht. 

De bomen in dit woud zijn hoger dan ik gewend ben. Hun takken beginnen ver boven mijn bereik. Het is onmogelijk om in een boom te overnachten. Ik kan er simpelweg niet bij. Wel liggen er her en der takken op de grond. Misschien kan ik er een hut van bouwen, zoals we vroeger deden. Verzonken in mijn eigen gedachten loop ik verder. Tot ik plots op een nieuwe wending stuit. 

Het enkele pad dat zich tot nu toe voor mij uit leek te spreiden eindigt hier in een tweesprong. Twee paden. Nu sta ik voor een keuze. Welke moet ik nemen? Welk pad kruist zich nu met het mijne? Wat is het mijne?

Misschien moet ik ze beiden niet volgen en gewoon rechtdoor het bos in lopen. Wellicht dat zich nu een nieuw pad aan mij toont. Ik stap voorzichtig van het pad. Er gebeurt niets. Bos blijft bos. Ik zet nog een paar stappen. Er ontstaat geen pad. Toch meen ik door de struiken iets te zien. Ik zet nog een paar passen en sta dan ineens op een wat minder dicht bebost gebied en zie ik niet ver van mij een rotswand met een flinke opening erin. Dit is geweldig! Ik ben dicht genoeg bij het pad om het weer terug te kunnen vinden en ik heb een beschutte plek gevonden voor de nacht.

Zonder twijfel loop ik richting grot. Als ik de holte in de rotsen voorzichtig betreed zie ik in eerste instantie niets. Het is er kil en donker. Als ik hier wil overnachten zal ik in ieder geval wat brandhout moeten vinden. Ik knijp mijn ogen tot kleine spleetjes. Langzaam wennen ze aan het weinige licht. Ik zie dat het een ondiepe holte is, er is geen gang dieper de rotswand in. Dat voelt goed. Ik besluit in de omgeving wat takken en droge bladeren te verzamelen zodat ik voor de ingang een vuurt maken kan. Het zal de grot verwarmen en eventuele bedreigingen op afstand houden.

Ik sprokkel wat hout en ontdek een aantal paddestoelen waarvan ik zeker ben dat ze eetbaar zijn. Ik kan ze roosteren boven het vuur. Het is de tweede keer dat het woud mij nu weten laat dat niet ik de dienst uitmaak. Morgen moet ik blijkbaar een keuze maken. Maar ik ben nu te moe om daar over na te denken. Nadat ik vuur gemaakt heb prik ik de gevonden paddestoelen aan een dunne stok en houd ze erboven.

Na het eten van de paddestoelen probeer ik de slaap te vinden. Hoewel ik moe ben, lukt het mij maar lastig. De donkere zwarte schim die ik vandaag twee keer voorbij heb zien komen zit in mijn gedachten. Zou het gevaarlijk zijn in dit nieuwe woud?

<Hoofdstuk 10                                              Hoofdstuk 12>

De sleutel -10-

De Sleutel -Hoofdstuk 10-

Moe maar ontspannen plof ik in een tuinstoel. Het is laat, heel laat. Iedereen is naar huis en het was een geweldige avond. De kinderen liggen al een hele poos lekker te slapen en Marco en Anja hebben heel fijn geholpen met alles opruimen. De vaatwasser doet zijn ding al voor de vierde keer vanavond en ik ben moe. Maar ik kan nog niet slapen. Alle indrukken, alle fijne gesprekken, razen nog door mijn hoofd. Het is nog steeds warm buiten en we besluiten samen nog lekker even na te keuvelen in de tuin.

Langzaam aan gaan ook mijn schoonbroer en zijn vrouw naar binnen en uiteindelijk kan ook Hugo zijn vermoeidheid niet weerstaan. Ik ben ook moe, maar ik besluit toch nog even alleen buiten te blijven zitten. In de stille donkere nacht tuur ik voor me uit. Bij het zwakke licht van de laatste kaars hoor ik een uil roepen. Zijn roep komt van heel dichtbij. Hij lijkt zich op te houden in het kleine bosje achter in onze tuin. Hij roept nog een keer. Zijn roep wordt luider. Ineens flitsen er herinneringen van afgelopen dromen door mijn hoofd. 

De sleutel, het kleine bos achter in mijn tuin waar ik in verdwaalde, de deur die open ging en de pijn. De pijn. Ik schrik. Die pijn is er nog steeds. Was het wel een droom? Wat is er eigenlijk allemaal gebeurt? Ik kijk naar mijn rechterhand. Onzeker en voorzichtig draai ik hem om. De aanblik van de afdruk in mijn rechterhand doen de rillingen langs mijn rug gaan. 

Dan slaat een overweldigende vermoeidheid toe. Van de dag, van het jaar, van alles. Ik vecht en probeer helder te blijven maar de slaap wint het van mij. Nog eenmaal hoor ik luid de uil en dan val ik als een blok in slaap.

<Hoofdstuk 9.                                                                 Hoofdstuk 11>

De sleutel – 9 –

De Sleutel

Daar sta ik dan. In een oerwoud lijkt het wel. Als ik me omdraai blijkt de deur naar mijn wereld nog steeds open te staan. Anders dan alles dat zich hiervoor heeft afgespeeld verbaas ik mij over wat ik hier ervaar. De zon schijnt er, maar alles lijkt in een ander licht te staan. Er hangt een warme gloed over deze wereld. De kleuren zijn prachtig. Het groen is groener dan al het groen dat ik ooit zag. Het is er warm, maar niet benauwd. Ik hoor de vogels, maar ik herken ze niet.

Omdat de deur naar mijn eigen wereld nog steeds open staat durf ik het aan een paar stappen te nemen. Als ik achterom kijk blijkt het pad nog steeds te bestaan. Toch heb ik niet de drang terug te lopen. Ik loop een eindje vooruit en kom dan op een open plek in het woud. Als ik ga zitten realiseer ik mij dat er geen weg meer terug is naar die plek van ooit. Dat ik hier thuis ben en dat iedereen om mij heen staat, al zie ik dat niet. Ik voel met alles wat ik heb dat ik hier hoor.

Ik kijk naar mijn rechterhand waar eens de sleutel zat. De sleutel waarmee ik de deur opende naar deze wondere wereld. De sleutel die nog in het sleutelgat steekt. Ik schrik en besef me dat ik al een tijdje rondloop zonder de sleutel.

Voordat ik deze deur opende kon ik me niet verplaatsen zonder sleutel. Wanneer ik hem liet vallen of even neer gelegd had stopte mijn voeten en benen met die belachelijke pijnen. Maar ze stopte dan ook meteen met werken. Als pudding bungelde ze aan mijn lijf. Zitten was dan de enige optie.
Maar nu, nu was ik de sleutel kwijt. Hij stak nog in het slot. Mijn benen en voeten deden echter nog altijd zeer, maar ik was de controle over hen niet verloren. De sleutel had zijn magie verloren en hij had een vervelend restje achter gelaten. Verward kijk ik naar de afdruk in mijn hand. Wat zal dit betekenen?

Dan besluit ik in ieder geval op deze open plek de nacht door te brengen. De zon zakt al en kleurt de lucht fel oranje. Nu verder lopen heeft geen enkele zin en daarnaast willen mijn voeten echt niet nog verder vandaag. Ik ga liggen in het zachte gras op deze open plek. Als ik omhoog kijk zie ik dat het langzaam donker wordt.
Aan de hemel, die ik nu duidelijk zien kan, verschijnen de eerste sterren. Ik zie de grote beer recht boven mij ontstaan en van daaruit kan ik ook Polaris zien en de kleine beer. Zoals ik hier nu lig, lekker in het gras, voel ik mij prima op mijn gemak. Ik hoor allerlei geluiden de nacht inluiden en ik kan moeilijk thuisbrengen van wie ze zijn.
Starend naar de sterren val ik langzaam in slaap.

Ik droom ernstig realistisch deze nacht. Ik ben thuis, in mijn tuin. Het is lekker weer en ik lees een boekje. Hugo vraagt of ik ook wat drinken wil. Ik kijk hem wat verbaast aan. We hebben elkaar enkele dagen niet gezien of gesproken. Dat is op zich geen uitzondering, maar dan weten we over het algemeen wel van elkaar waar we uithangen. Nu ik hier weer zo plotseling thuis verschijn lijkt hij helemaal niet bezorgd of overmatig blij met dit plotselinge weerzien.

‘Wil je nu wat drinken of niet?’ Vraagt hij nogmaals. Euh, ja, lekker, breng maar wat water mee naar buiten. Wanneer hij naar binnen loopt hoor ik nog allerlei rumoer binnen. De tuindeuren zwaaien open en drie kleine mannetjes hollen naar buiten. ‘Tante Rosalie!’ Roepen ze gedrieën uitbundig. ‘Mogen wij bij jouw logeren vandaag?’ Ja natuurlijk, dat mag altijd. Onze drie neefjes zijn ons allergrootste trots. Ons huis is het hunne, dus als zij willen blijven dan mag dat.
Maar waar komen ze ineens vandaan?

Hugo komt naar buiten met een kan water en wat glazen. ‘Marco en Anja zijn er al. Ze zijn wat vroeger, dan kunnen ze nog wat uitrusten voor de barbecue vanavond.’ Hoor ik hem zeggen.
Dat is waar ook. Na dit afgelopen bizarre jaar hebben we besloten een feest te organiseren voor iedereen die ons dierbaar is. Hugo’s broer en zijn gezin kan daarin niet ontbreken. Ze wonen een kleine 200 kilometer verderop, dus logeren ze altijd hier. Ik vind dat heerlijk.

Gevoelsmatig ben ik even een stukje kwijt. Ik herinner me dat we afgesproken hebben een feest te geven en dat we mensen uitgenodigd hebben. Ook weet ik dat iedereen enthousiast aangegeven heeft graag te komen. We hebben slaapplaatsen geregeld voor diegene die niet dezelfde avond nog naar huis kunnen en plannen gemaakt voor een gezellige avond.
Maar ik kan mij niet herinneren dat ik inkopen gedaan heb. Laat staan dat ik het een en ander voorbereid heb.

Hoewel ik blij ben met het weerzien met Hugo en met de jongens en hun ouders, breekt het zweet me nu toch wel een beetje uit bij de gedachte dat ik nog inkopen doen moet en me moet voorbereiden op een feest vanavond. Hugo leest de onrust van mijn gezicht en vraagt wat er is. ‘Ik denk dat ik nog het een en ander moet halen dan.’ Hugo lacht en zegt dat hij denkt dat de koelkast dat er echt niet nog bij hebben kan. ‘Jij wil het altijd iedereen naar de zin maken. Maar ze komen voor ons, je bent je al twee dagen uit aan het sloven. We hebben meer dan genoeg in huis, blijf jij nu maar lekker even zitten. Het komt allemaal goed.’

Vreemd, ik kan me daar werkelijk niks van herinneren. Ik ben blijkbaar de afgelopen dagen druk bezig geweest en ben daardoor waarschijnlijk redelijk onbereikbaar geweest voor mijn man. Hij weet precies hoe ik in elkaar zit, er tegen in gaan heeft weinig zin, dus dan laat hij me maar.
Ik kan me er echter niets van herinneren. Omdat de onrust mij niet loslaat besluit ik toch een kijkje te gaan nemen. Als ik opsta voel ik mijn voeten. Auw dat valt tegen vandaag. In een flits word ik herinnerd aan de sleutel en het het vreemde woud achter in mijn tuin. Ik draai me even om en zie de weelderig ruimte achter in mijn tuin, ‘Ik kan me toch niet voorstellen dat….’

Wanneer ik naar binnen loop open ik direct de grote koelkast in de bijkeuken. Hugo heeft gelijk, afgeladen vol. Aan de inhoud kan ik precies zien wie er allemaal komen vanavond. Rekening houdende met de vleeseters en de niet vleeseters, met kruidenintoleranties en drankvoorkeuren puilt onze koelkast inderdaad uit. Toch loop ik ook even de keuken in. Meteen zie ik dat daar ook alles in orde is. Er liggen een paar vers gebakken broden af te koelen op het aanrecht. En er staan al allerlei hapjes klaar. Ik moet dat vanochtend gedaan hebben, maar ik heb werkelijk geen idee…

Ik besluit het maar te nemen zoals het komt. Gerust loop ik weer naar buiten. Ik ga bij de jongens zitten. Ze spelen een spelletje. Mijn voeten doen nog steeds zeer. ‘Mag ik meedoen?’ Vraag ik hen. ‘Jaaaaa!’ Is het antwoord. Ik krijg de rode poppetjes en een dobbelsteen. Heerlijk die koters om me heen. Lekker dobbelen in de zon. Even nergens aan denken.

Tegen het einde van de middag druppelen er meer mensen binnen. Allemaal lieve vrienden en wat familie. Mensen die mij het afgelopen jaar zo dierbaar geworden zijn en die allemaal hun eigen rol gespeeld hebben. Ziek zijn kost bergen energie, herstellen ook trouwens. Het is heel fijn dat er dan mensen om je heen staan die ondanks alles blijven zien wie je bent en zich niet laten overrompelen door wat je mankeert. Ik ben zo blij dat ik dit nu terug kan geven. Maar die voeten, ik weet niet wat dat is, ik maak me er toch een beetje ongerust over.

Hoe meer mensen er binnenkomen hoe meer ik mij op mijn gemak voel. Ik besluit mijn ongemak even te laten voor wat het is. Ik ga gewoon genieten van vandaag en morgen zien we wel weer verder. Met een inmiddels goed gevulde tuin besluiten we dat het tijd is het vuur te ontsteken. Hugo maakt de barbecue aan en ik begin samen met wat vrienden al allerlei lekkers naar buiten te brengen. Het duurt nog wel even voordat we lekkernijen op de barbecue kunnen leggen, maar er is zo ook genoeg te knabbelen. Dit wordt een heerlijk ontspannen avond, ik voel het aan alles.

<Hoofdstuk 8.                                                                       Hoofdstuk 10>

De Sleutel -8-

De Sleutel -Hoofdstuk 8-

Er kriebelt iets aan mijn neus. Als ik mijn ogen open doe zie ik nog net een lieveheersbeestje wegvliegen en het kriebelen stopt. Denkende aan de emotionele achtbaan die het bos mij gisteren toonde moet ik toch concluderen dat deze een vriendelijke manier van wekken heeft bedacht. Ik besef me dat ik dit woud als een levend organisme ben gaan beschouwen. Het zal mij niet meer loslaten, maar mij wellicht wel een weg tonen die ik vanaf hier bewandelen kan. Weer is er dat gevoel van niet alleen zijn. Niet zoals gisteren. Toen voelde ik duidelijk de aanwezigheid van alles dat ik ken. Nu is dat anders. Er is hier iets, of iemand. Ik weet wie je bent, maar ik ken je niet.

Hoe dan ook, ik kan hier niet blijven zitten. Ik krabbel op, strompel de eerste meters vooruit en hervind daarna mijn pijnlijke tred weer. Mijn gevoel zegt dat ik verder moet. Vooruit, al weet ik niet welke kant dat op is. Eigenlijk doet dat er ook helemaal niet toe, elke richting lijkt vooruit te gaan. Zodra ik achterom kijk en besluit die kant op te lopen, wordt dat opnieuw vooruit. Wat er aan het andere eind van dit pad ligt weet ik niet. Ik weet zelfs niet of er een andere kant bestaat. Maar blijven waar ik ben is voor mij geen optie. Dus loop ik verder al weet ik niet waar naartoe. 

Ik vraag me af of het mijn levenspad is dat ik hier gevonden heb? Zijn er daarom geen afslagen? De kortste weg van A naar B is gewoon de weg van A naar B. Geen omleidingen, geen afslagen, altijd vooruit. Het pijnlijke besef van deze nieuwe realiteit doet me besluiten door te zetten, blijven hangen in wat is geweest heeft geen zin. En hoewel het prachtig weer is in dit zomerse woud, voel ik mij niet lekker in mijn vel. Ik loop vooruit, de bomen wijken weer en het pad vormt zich wederom voor mij.

Zo loop ik de dag weer door. Ik denk veel na over het leven, in het algemeen en dat van mijzelf. Hoe ben ik hier gekomen en waar ga ik nog naartoe? Bestaat er wel iets als verleden en toekomst of leven we in een altijd durend nu? Dat laatste lijkt in dit woud nog het meest op zijn plaats. De weg toont zich enkel in de richting waar ik ga. Er zijn geen andere richtingen, er is geen ooit en ik heb geen idee wat er in de toekomst verscholen ligt. Ergens geeft me dat ook een rustig gevoel. Het heeft geen zin me er druk over te maken. Maar dan is er nog die pijn. Onbeschrijfelijk en altijd. Zonder kan ik niet gaan. Met maakt het leven lastig. Wat is het doel? Dit heeft toch geen zin.

Ik besluit meer om me heen te kijken. Denken over mijn eigen zijn brengt me nergens. Leren over de wereld om me heen, begrijpen wat die bedoelt en waar die heen wil is misschien belangrijker.

Al lopende verbaas ik me over hoe de planten en bomen groeien. Ik zie in de aarde onder mijn voeten allerlei insecten krioelen en het mycelium van verschillende schimmels lijkt de bomen op een ondergronds niveau met elkaar te verbinden. Verbaasd blijf ik even staan en kijk ik geconcentreerd naar wat ik zie. De schimmeldraden lijken voedingsstoffen af te geven aan de wortels van de bomen die ze omvatten. En op hun beurt geven de wortels van die bomen ook weer stoffen af aan de schimmeldraden. Er lijkt een heuse ondergrondse ruilmarkt te bestaan.

Het leven in dit bos communiceert met elkaar op manieren die wij niet begrijpen. Het leven is zoveel intenser en ingewikkelder dan we kunnen bevatten. Verwonderd loop ik verder, de bomen blijven wijken en het pad blijft zich openbaren.

Op een gegeven moment merk ik dat het pad smaller wordt. De bomen en struiken in het bos lijken naar me toe te komen. Zou mijn pad hier eindigen? Waar is hier eigenlijk? Stap ik zometeen uit deze wondere wereld? En stap ik dan weer gewoon op de grindtegels in mijn achtertuin?

Het gevoel benauwt me een beetje. Het gevoel dat ik misschien deze wereld moet verlaten en inruilen voor mijn normale bestaan. Ondanks de pijn heb ik hier veel geleerd en niet het gevoel dat ik hier klaar ben.

Ineens herinner ik me dat ik al twee keer eerder ben gestopt om uit te rusten en de nacht door te brengen. Steeds wanneer ik zitten ging opende het bos zich en ontstond er een open plek met heerlijk zacht gras en zoete vruchten aan de struiken onder de bomen. Ik besluit om hier te gaan zitten. De nacht nog eenmaal door te brengen waar ik nu ben en mij te bedenken hoe ik verder moet. Daarnaast heb ik ook gewoon honger en dorst en verlang ik naar de zoete vruchten die ik eerder ook gegeten heb.

Met een zucht plof ik op de bodem van het bos. Er gebeurt niets. Ik kijk om me heen. Ik zie bomen en struiken en ik hoor vogels en de wind. Geen uil, geen stilte en geen wijkende bomen.

Verbaasd staar ik even voor me uit. Ik kijk naar de stand van de zon. Het is nog niet zo laat, maar de dag loopt toch langzaam op zijn einde. Waarom zit ik nu op het pad? Ik was er stiekem vanuit gegaan dat ik de dienst uit maakte. Ik was gaan vertrouwen op de regelmaat van deze vreemde plek. Maar nu heeft het woud me bij de neus genomen. 

Was ik die andere keren dan precies op tijd gaan zitten? Was dat toeval? Bestaat toeval? Of word ik aangestuurd door iets dat groter is dan mij? Is er helemaal geen vrije wil en doen we maar wat ons onbewust wordt opgedragen.

Hoe langer ik op het bospad zit hoe vochtiger mijn broek wordt. Ik kijk nog eens naar de sleutel in mijn hand “Verdomd ding. Waarom heb ik je gevonden? Wat is dit voor waanzin?” Mijn voeten en benen doen zo een pijn. Ze zeuren om rust en lijken onder stroom te staan. Maar ik weet dat ik hier niet kan blijven zitten. Ik kan de nacht niet in dit dichte bos doorbrengen. Het zal er kil en koud worden. Ik moet verder. 

Zuchtend sta ik op. Het smalle pad ligt er nog steeds. Ik kan niet meer goed inschatten welke kant dit op gaat. Het vertrouwde gevoel maakt plaats voor een lichte onrust. ‘Ik lijk wel in een slecht hoofdstuk van Harry Potter terecht gekomen’ denk ik bij mezelf. Toch zet ik mezelf ertoe weer op pad te gaan. Ik volg het, naar mijn gevoel steeds smaller wordende, pad gedwee. Net als de moed mij in de schoenen lijkt te zakken maakt het pad een scherpe hoek naar rechts. Het glooiende pad dat ik nu al drie dagen volg draait abrupt en ik kan niet zien waar naartoe.

Ik aarzel. Wat gebeurt er met me als ik de hoek om ga? En wat gebeurt er als ik dat niet doe? Terug kan ik niet. Blijven waar ik nu ben is ook geen optie. Het bos heeft me duidelijk gemaakt dat niet ik de regels van het spel schrijf. Dus hier verwachten dat de bomen weer wijken voor een zonnige open plek doe ik niet meer. Mijn enige optie is de stap te zetten. Die ene stap die me de hoek om leidt.

Ik haal diep adem. Knijp stevig in de sleutel in mijn rechterhand, alsof die mij houvast bieden kan. En zet voorzichtig eerst met mijn linker en daarna met mijn rechtervoet een stap. Ik ben de hoek om en tref aan het einde van mijn pad een deur. Een houten deur gemaakt van verticaal naast elkaar geplaatste planken. Er zitten gietijzeren scharnieren op en een ijzeren deurknop met daaronder een sleutelgat.

Ik weet niet wat ik denken moet. Ik bestudeer de deur en bedenk me dat er vroeger in de schutting met onze achterburen ook een deur zat. Wij hebben die vervangen door een schuttingdeel. Maar zou dit de deur zijn naar onze achterburen? Is die op de een of andere wijze terug geplaatst zonder dat ik daar erg in heb gehad? Voorzichtig breng ik mijn linkerhand naar de deurknop. Als ik hem aanraak voelt hij koel. Geen extra ongemakken deze keer. Ik draai aan de knop, maar de deur gaat niet open. Hier sta ik dan, aan het einde van mijn weg voor een gesloten deur.

Ik blijf staan, starend naar de deur. Ik kan niet terug. Er is geen weg terug. Ik moet vooruit, maar de deur zit dicht. Er bekruipt me een gevoel van angst. Wat zit er achter deze deur? Iets zegt me dat het niet de tuin van de achterburen is. Onder de deurknop zit een sleutelgat. Ik kniel en sluit mijn linker oog. Met mijn rechter oog probeer ik door het sleutelgat te kijken om te ontdekken wat er zich aan de andere kant van deze poort bevindt. Ik zie een gloed. Ik zie kleuren, maar geen vaste vormen. Hoe goed ik mijn best ook doe ik kan niet onderscheiden wat er aan de andere kant van deze deur is.

Verbaasd sta ik weer op. Ik bal mijn vuisten en voel de sleutel in mijn rechterhand. Die verdomde sleutel, zou hij… Zou hij al die tijd mij geleid hebben naar deze deur omdat dit de deur is waartoe hij hoort?

Ik breng mijn rechter onderarm omhoog waardoor mijn gesloten hand met de palm naar boven dichter bij mijn gezicht komt. Dan open ik mijn vuist en bestudeer de sleutel aandachtig. Ik kan er geen bijzonderheden aan ontdekken en toch laat hij me niet los. Voorzichtig neem ik hem met mijn linkerhand uit mijn rechterpalm. Ik bekijk het roestige object van alle kanten. Zou ik het durven? Twijfelend breng ik de sleutel richting deur. Zodra ik in de buurt kom van het sleutelgat voel ik dat de sleutel, als door een magneet aangetrokken, als vanzelf in het sleutelgat verdwijnt. Van schrik laat ik los. De sleutel draait vanzelf en ik hoor een klik. De deur gaat een beetje open.

Voorzichtig geef ik de deur een klein zetje. Hij piept en kraakt en gaat moeizaam een beetje verder open. Nog een zetje. Voorzichtig kijk ik door de opening in de deur. Ik zie een open plek in een prachtig bos. Maar dit bos is anders dan het bos waar ik nu zo aan gewend ben geraakt. Dit kan onmogelijk de tuin zijn van onze achterburen. Voorzichtig duw ik de deur nu helemaal open. Ik sta in de deuropening en bestudeer deze nieuwe wereld aandachtig.

Ik hoor vreemde geluiden. Dierlijke geluiden, ik kan ze niet meteen thuisbrengen. Dit klinkt niet als iets dat ik ooit hoorde in het bos in ons dorp. Er hangt een hele andere sfeer. Het zijn andere, onbekende, planten en het ruikt er anders. Nieuwsgierig zet ik een stap. 

 

<Hoofdstuk 7                                                                                            Hoofdstuk 9>

De sleutel – 7 –

De Sleutel -Hoofdstuk 6-

Als ik wakker word schijnt de zon op mijn gezicht. Ik moet ergens toch in slaap gesukkeld zijn. Ik kijk om me heen en merk op dat het nog steeds stil is in het bos. Wanneer ik mijn hoofd naar rechts draai zie ik de sleutel naast mijn rechterhand glinsteren tussen de gevallen bladeren.

Ik zucht. Ik voel geen pijn. Maar ik weet wat me te doen staat. En ik weet wat het betekenen zal.
Mijn rechter hand rijkt als vanzelfsprekend naar de sleutel. Ik knijp mijn ogen dicht, lippen stijf op elkaar. Zodra mijn hand de sleutel raakt komt meteen de felle pijn. Het schiet als door de bliksem geraakt door mijn hele lijf. Het verlaat mijn lichaam echter niet, maar blijft hangen in mijn benen en voeten.

Ergens weet ik het. Zo moet ik verder. Ik heb geen idee waarom. Maar ik moet door.
Als ik opsta sla ik de bladeren van mijn broek. Geen idee hebbende van welke richting ik gekomen ben besluit ik net als gisteren te starten met de zon in mijn rug.
Nu ik zo weer verder loop met de sleutel stevig in mijn rechterhand, merk ik dat de geluiden in het bos mijn oren weer bereiken. Maar mijn scherpe blik is niet verdwenen. Elk detail neem ik in me op. Elk wezen zie ik staan. Te veel informatie. Verward stap ik door niet wetende waarnaar toe.
Langzaam leren mijn ogen weer te focussen op het grotere geheel. Rustig loop ik door.

Ik probeer mijn blik te sturen. Zelf te bepalen wanneer ik mij verdiepen wil en wanneer het grotere geheel meer ter zaken is. Het lukt me steeds beter. Ik merk dat ik kan schakelen tussen beiden visies. Dan ineens is het weer stil. Alles stopt. Geen wind, geen vogels, niets. Ik speur om me heen, probeer te achterhalen hoe dit kan. Dan, dat ene geluid. Die uil. Een vrouwtje, midden op de dag. Ik moet haar kunnen vinden. Wijsheid wijst de weg. Ik spits mijn oren en stuur mijn passen met elke kreet. Speurend door het bladerdak. Steeds luider wordt de roep.

Dan ineens is er de wind. Hard, razend. De bomen zuchten en steunen, dikke takken kraken, bladeren vallen als sneeuw. Met de lucht nog altijd strak blauw verwonder ik me over de oorsprong van deze storm. Net zo hevig en zo snel als hij de kop op steekt gaat hij ook weer liggen. Ik kijk om me heen en zie dat links van mij een opening is ontstaan in de dichte begroeiing. Ik loop erheen en zie een pad. Of in ieder geval iets dat er op lijkt. Nieuwsgierig en verbaast besluit ik het te volgen. Alles aan dit pad doet me denken aan de kleine kronkelige wegen in het bos bij ons in de buurt.

Ons… Ineens sta ik stil. Hugo. Ik ben al zeker 2 dagen van huis. En toch voel ik me eigenlijk nog altijd thuis. Zal hij mij gaan zoeken? Is hij ongerust? Er is geen manier om hem duidelijk te maken waar ik ben. Ik voel me tussen ergens en nergens met benen van lood en voeten als prikkeldraad.
Maar iets in mij wil door. Wat huist er aan het einde van dit pad? Is dit de weg uit dit vreemde bos? Is er wel een weg naar buiten? En wil ik die wel vinden?

Ik schrik van mijn eigen gedachten. Al twee dagen probeer ik dit bos te verlaten. En nu, nu ik denk aan alle mensen om mij heen, voel ik me hier prima op mijn gemak. Onzeker over wat ik hiervan denken moet loop ik verder langs het pad. Ik voel me als Alice in Wonderland. Ik kijk naar de bomen, de struiken en de bloemen. De vogels zingen hun mooiste lied, de zon schijnt en het is aangenaam warm. Het pad kronkelt en draait en mijn gevoel voor richting is al snel verdwenen. Maar ik volg trouw mijn weg.

Ik loop intussen al uren. Het pad meandert van links naar rechts, er zijn geen zijwegen en geen achterom. Er is enkel vooruit. Omdat ik niet na hoef te denken waarheen ik ga, zwerven mijn gedachten langzaam alle kanten uit. Mijn nieuw verworven blik op de wereld test ik grondig. Ik leer schakelen tussen een microscopische blik, waarin als ik goed focus zelfs afzonderlijke atomen voor mij zien kan, naar een telescopische blik, die de maan en onze planeten bij nacht helder laat stralen, en alles daar tussenin. Op de een of andere manier verbaas ik me er niet over. Ik verwonder me over al het moois. Ik bedenk me dat ik daarover wil praten, dat ik iedereen die me lief is daar kennis mee wil laten maken. Al lopende leer ik. Maar ik heb nog steeds geen idee waar dit pad toe leidt. Kom ik ooit weer thuis? Ben ik thuis? Wat is dat eigenlijk, thuis?

Ik stop. Ik kijk om me heen en zie alleen maar recht voor mij het pad. Het pad dat achter mij lijkt te verdwijnen en geen zijwegen kent. Mijn voeten doen zo een zeer, ik kan niet meer verder. Ik ga zitten op de zachte bosvloer, midden op het pad. Zodra ik zit wijken de bomen, komt de zon haar zachte warmte brengen en groeit het gras en de madeliefjes in een oogwenk tot een prachtig tapijtje. Aan de randen van de zojuist ontstane open plek geven de bramen, rode bessen, kruisbessen en bosbessen hun vruchten prijs. Ik pluk en eet er zoveel ik kan. Ze smaken heerlijk zoet en lessen dorst en honger volledig.

Wanneer ik voldaan in het midden van dit prachtige grasveldje zit bedenk ik dat ik, hoewel ik niemand zie, iedereen voel. Alle mensen die me dierbaar zijn, hier op deze plek, in dit wonderlijke bos dat zich achter in mijn eigen tuin aan mij openbaarde. Ik ben hier thuis en toch ook niet.

Ik open mijn rechterhand en zie die verdomde sleutel. Hij heeft mij in zijn greep. Zonder kan ik niet meer. Ik moet verder. Maar met beleef ik pijnen. Wanneer ik achterom kijk begrijp ineens dat dit bos mij iets wil zeggen. Ik hoor het luid en duidelijk, er is geen weg terug. Tranen wellen in mijn ogen. Eerst rolt er een, dan twee, dan stromen ze over mijn wangen. Hoe moet ik nu verder? Blijf ik nu voor altijd op deze bedrieglijke mooie plaats? Waarom heb ik het gevoel dat iedereen om mij heen staat, maar dat niemand mij echt zien kan? Honderdduizend gedachten stromen door mijn hoofd. Ze zon zakt langzaam en ik ga liggen in het gras. Moe van de dag, moe van de pijn, moe van de emotie. Ik val in een diepe droomloze slaap.

<hoofdstuk 6.                                                                         hoofdstuk 8>

De sleutel – 6 –

De Sleutel

Als ik wakker word voel ik de warme zon op mijn gezicht. Ik draai me om en voel iets kriebelen aan mijn neus. Als ik mijn ogen opendoe zie ik groen. Alleen maar groen. Ik ga rechtop zitten en kijk om me heen. Het gras om me heen wordt gestreeld door de ochtendzon. Een prachtig stralend groen tapijtje bezaaid met madeliefjes. Ik weet het weer. Gisteren verdwaalde ik in het bosje achter mijn huis, ik heb uren gedoold en de uitweg niet gevonden. Uiteindelijk ben ik op dit gras, in deze prachtige opening midden in het bos ingedut. Ik had geen deken en geen kussen, maar ik heb heerlijk geslapen.

Ik kijk naar mijn voeten en mijn benen. Ze voelen anders dan normaal. Ik voel me uitgerust, maar mijn benen zijn dat niet. Dan herinner ik me mijn hand. Ik open mijn rechterhand en zie de afdruk en de sleutel. Ze zijn er nog steeds. Niet wetende wat ervan te maken ga ik er maar vanuit dat evenals gisteren deze sleutel mij toegang tot mijn benen verschaft maar ook ongemak bezorgt. Honger maakt dat ik weer om mij heen ga kijken. Tot mijn verbazing groeit er van alles in de bodemlaag van dit bos. Ik zie bosaardbeien en bramen, rode bessen en blauwe. Ik kruip richting stuiken en begin ervan te eten. Alles smaakt heerlijk zoet. Lekkerder dan welke bessen ik ooit gegeten heb.
De vogels kwetteren er inmiddels weel lustig op los. Hoewel verdwaald voel ik mij behaaglijk thuis op deze bizarre plek.

Mijn honger gestild probeer ik een plan te maken. Ik weet nog waar ik gisteren vandaan gekomen ben. Maar als ik rondkijk realiseer ik me dat alles er hetzelfde uitziet. Het enige dat ik wel zeker weet is waar de zon nu staat, want die prikt lekker warm door de opening in het dichte bladerdak.

Ik weet hoe de zon dagelijks over ons huis reist. In de ochtend staat de zon aan de voorkant. Dan, rond een uur of tien, piept hij boven ons dak uit en de rest van de dag doet hij zijn best om over onze tuin te manoeuvreren. Gezien de lage stand van de zon en de dauw om me heen denk ik dat het nu rond tienen moet zijn. Als de zon daar staat, dan moet daar ook mijn huis zijn. Ik kan twee dingen doen. Richting zon lopen en dus richting huis. Of juist de zon in de rug houden en hopen zo bij de schutting met de achterburen uit te komen.
Gezien de lange wandeling van gisteren en de temperatuur die maar niet echt zakken wil besluit ik dat het verstandiger is de zon in de rug te houden en koers te zetten naar de schutting. Als ik opsta bemerk ik meteen weer de pijn. Loodzware benen, zeurende voeten. Ik moet door.Ik loop naar de rand van deze open plek en stap voorzichtig aarzelend weer het dichte bos in.

Evenals gisteren sluit het gebladerte zich meteen achter mij. Ik kan onmogelijk meer herleiden waar ik vandaan gekomen ben. Wanneer ik een stap achteruit doe sta ik niet meer op de open plek. Het lijkt wel of de dimensies van ruimte en tijd die ik zo gewoon ben hier niet gelden. Waar ben ik toch terecht gekomen? Wat huist er toch in het bosje achter in mijn tuin?
De vraag of ik me daar op dit moment überhaupt nog wel bevind lijkt niet relevant. Ik heb in deze situatie maar een echte optie en dat is doorgaan, recht vooruit, op zoek naar iets van herkenning.

Hoewel het nog steeds warm is bekruipt mij vanuit mijn binnenste een rilling. Ik schud hem van mij af. Mijn voeten en benen plagen mij sinds ik de sleutel gevonden heb, maar mijn geest is vastberaden en sterker dan ooit. Dus ga ik door, verder en verder dit vreemde woud verkennend.

Dan ineens, dat gevoel. Het gevoel dat er iemand naar mij kijkt. Geen vervelend gevoel. Maar omdat ik graag zou willen weten waar dat toch vandaan komt kijk ik in het rond. Al dat ik zie zijn bomen en struiken. Ik hoor vogels kwetteren en een zacht briesje doet de bladeren ritselen. Niets om mij heen lijkt dit gevoel te kunnen verklaren. Ik kijk nogmaals naar mijn rechterhand. Ik laat de sleutel niet meer los. Of is het de sleutel die mij zo stevig vasthoudt? De afdruk van de sleutel lijkt steeds duidelijker te worden. Het lijkt wel alsof iemand hem met een stempel in mijn palm gedrukt heeft. Het doet geen pijn, maar ik vraag me af waar het vandaan komt of waar het toe dient.

Ik stop met lopen. Neem de sleutel tussen duim en wijsvinger van mijn linkerhand en bestudeer hem grondig. Met de wijsvinger van mijn rechter hand veeg ik hard over het oppervlak. Mijn vinger blijft brandschoon. Er zit geen inkt of olie op. Niets verklaard de afbeelding in mijn rechter palm. Ik probeer hem te buigen of te breken en kras met mijn nagel over het oppervlak. Niets, er gebeurt niets.

Plots een flits, scherp en fel. Ik schrik en laat de sleutel vallen. Zodra hij de grond raakt stoppen alle vogels met zingen. De wind gaat liggen en het woud wordt weer oorverdovend stil. Verbaasd kijk ik enkele tellen om me heen. Dan voel ik mijn benen. Weg is de pijn. Weg is alles. Ze lijken wel van pudding. Ik moet gaan zitten, lopen gaat niet meer.

Zittend op de zachte zompige aarde kijk ik om mij heen. Alles is stil. Kleuren worden feller. Het bos tekent zich af in elk minutieus detail. Mijn concentratie lijkt overuren te draaien. Ik zie de bomen en takken, ik zie de bladeren allemaal afzonderlijk. Elke nerf in elk blad. Elke cel. Ik zie hoe hard ze werken, hoe de sappen stromen. Verbaasd over deze wonderlijke details verschuif ik mijn blik naar beneden. Ik zie bosanemonen en speenkruid. Hun geur komt per molecuul bij me binnen. Hun kleuren heb ik nog nooit zo intens ervaren. Dan zie ik een kleine kruisspin die zijn spinsel inspecteert. Ik zie, ervaar, als nooit tevoren en verwonder mij over al dit moois.

Langzaam daalt het zonlicht en zonder dat ik er erg in heb komt de nacht. Het felle maanlicht verlicht nog steeds dit diepe bos. Ik zie vleermuizen fladderen en hoor hun echokliks. Ik schrik ervan, ineens is er weer geluid. Maar alleen de kliks van de vleermuizen lijken mijn gehoor te kunnen bereiken. De nacht is verder stil.

Ik zie de maan. Groter, feller en duidelijker dan ooit. Mijn ogen lijken telescopen. Ik speur de hemel af op weg naar Andromeda. Daar! Vlakbij Cassiopeia onder de diepste punt van de W. Nog nooit zag ik de nevel zo prachtig mooi aan de hemel staan. Als een pannenkoek tussen alle sterren. Een schijf vol sterrenleven. Liggend op mijn rug tuur ik eindeloos naar boven.

 

<Hoofdstuk 5.                                                                                                             Hoofdstuk 7>

© 2019 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑