Pagina 12 van 13

It’s a small world after all…

Goudatoom met kern en elektronenwolk.

Het is alweer een tijdje geleden dat ik hier aandacht besteedde aan de wetenschap. Misschien ben ik een beetje een nerd, maar het boeit me gewoon. Ik lees erover en ga naar lezingen, volg documentaires en vorm zo mijn eigen wereldbeeld.

Dat dit beeld verder draagt dan onze eigen wereld weten de mensen die mij goed kennen inmiddels wel. Ik kijk graag omhoog en verwonder me wat zich daar, om ons heen, allemaal manifesteert. Maar het gekke is dat ik even graag omlaag kijk en me verwonder over de kleine zaken in ons bestaan.Hoe meer ik me er in verdiep, hoe meer ik me verbaas over de gelijkenissen tussen dat allergrootste dat we kennen en het allerkleinste. Dit zet me aan het denken en ik besluit me verder te verdiepen in de deeltjesfysica.

Het eerste dat me opvalt is dat natuurwetten bij schaalverandering niet exact hetzelfde blijven. Zo blijft de vlam van een kaars, ongeacht de grootte van die kaars, altijd even groot. De schaalverandering van de kaars beïnvloed de vlam blijkbaar niet. De natuurwetten die wij hebben opgesteld gelden dus voor onze schaal. Mij lijkt dat wanneer die wetten veranderen wanneer we kijken naar het allerkleinste dat we kennen, die wetten wellicht ook weer anders zijn voor het allergrootste. Immers op de schaal van het universum zijn wij verschrikkelijk klein.

Maar wat is dat dan, het allerkleinste?
Kijkende naar de materie om ons heen weten we inmiddels dat alles is opgebouwd uit moleculen. Die op hun beurt weer zijn samengesteld uit atomen. Lang dacht men dat deze atomen de allerkleinste deeltjes waren. Het woord atoom is dan ook afgeleid van het Griekse ‘atomos’ dat ondeelbaar betekend.

Totdat Ernest Rutherforth in 1911 ontdekte dat atomen opgebouwd waren uit een negatief geladen wolk elektronen en een positief geladen kern. De kern is op zijn beurt weer opgebouwd uit protonen en neutronen. De protonen zijn positief geladen en de neutronen neutraal. De kern is tienduizend keer kleiner dan het atoom, maar heeft wel de grootste massa. Door de verschillen in lading worden kern en de elektronen wolk als twee magneten tot elkaar aangetrokken.

Deze structuur doet me sterk denken aan ons eigen zonnestelsel. De kern in het midden is de zon, met daaromheen draaiend de planeten als elektronen. Met dat verschil dat de planeten om de zon draaien in de vorm van platte schijf en dat de elektronen in een wolk, als een bol, om hun kern draaien.

Van een zonnestelsel vermoedt men dat deze structuren ontstaan door vervorming in de ruimtetijd. De zon heeft een bepaalde massa waarmee zij als het ware een kuiltje in de ruimtetijd slaat, zoals een knikker op een trampoline. De planeten die om de zon draaien gaan dus eigenlijk gewoon rechtdoor, maar door deze kromming volgen ze het pad rond de zon. De zwaartekracht maakt dat ze er niet aan kunnen ontsnappen, tenzij er ze kracht tegenkomen die sterker is dan dat. Zoals bijvoorbeeld de inslag van een enorme komeet. Verder vermoedt men dat er materie moet zijn die we niet kunnen detecteren. Zogenaamde zwarte materie. Wonderlijk genoeg bestaat 85% van het universum uit deze zwarte materie. Zo bezien weten we nog maar heel weinig. Genoeg ruimte nog om te verwonderen!

Maar goed, terug naar de wereld van het kleine…
Atomen zien er voor mij, als leek, uit als kleine zonnestelsels. Atomen zijn ook in beweging. Naar gelang de temperatuur van materie bewegen de deeltjes langzamer of sneller. Wanneer bij dit bewegen de atomen tegen elkaar botsen komen er fotonen vrij. Fotonen zijn kleine pakketjes energie in de vorm van licht. Hoe heftiger de atomen botsen, hoe meer fotonen er vrijkomen. De  manier waarop deze fotonen bewegen maakt dat wij ze ervaren als golven. Deze lichtgolven ervaren wij als kleur.

Ik realiseer me dat wetenschappers de temperatuur van sterren hierdoor kunnen aflezen uit de kleur die ze hebben. Zo komen heel groot en heel klein steeds weer bij elkaar en dat fascineert me.

Verder hebben de elektronen binnen deze atomen een heel bijzondere eigenschap. Een elektron kan zich op meerdere plekken tegelijkertijd bevinden, maar er kunnen nooit 2 elektronen op dezelfde plek aanwezig zijn. Dat laatste noemen we het uitsluitingsprincipe van Pauli. Deze afstotende eigenschap zorgt ervoor dat wanneer je in je handen klapt deze niet in elkaar opgaan, maar tegen elkaar botsen. Een hele handige eigenschap lijkt me. Het voorkomt dat de wereld om ons heen eindigt als een grote deeltjessoep.

Over het op meerdere plekken tegelijk aanwezig zijn van een elektron kan ik lang nadenken. Hoe kan dit? Wellicht dat als het grootste, het universum, gebruik maakt van de rimpelingen in de ruimtetijd, het kleinste dat ook kan. Dat wij het op onze schaal niet, of nog niet, kunnen betekent natuurlijk niet dat het niet mogelijk is.

Deze wetenschap levert verder allerlei bijzondere mogelijkheden op. Zo is men bezig met het ontwikkelen van een quantumcomputer. Stel je een doolhof voor waar we de computer een positie in geven en de opdracht te zoeken naar de uitgang. Een gewone computer zal dan een voor een alle mogelijke wegen testen tot hij de uitgang bereikt en dus de oplossing. Reguliere computers kunnen dit al veel sneller dan mensen. Maar de quantumcomputer gaat nog een stapje verder door gebruik te maken van dezelfde methode van superpositie als de elektronen. Als we deze computer vragen om de uitgang van het doolhof te vinden test deze tegelijkertijd alle mogelijke opties en komt zo supersnel met de juiste oplossing. Met recht een supercomputer waar in eerste instantie de wetenschap en later wij zeker ons voordeel mee gaan doen. Superpositie is dus een eigenschap waar het allerkleinste groot in is.

Ik probeer me te verbeelden wat er nog meer mogelijk kan zijn wanneer we superpositie beter begrijpen en kunnen benutten. Star trek achtige beelden komen in mijn hoofd. Wie weet waar de generaties na ons heen kunnen reizen, misschien zelfs zonder zich fysiek te hoeven verplaatsen…

Naast de elektronenwolk is er ook nog de kern. Superklein en in relatie tot de wolk superzwaar. Dat doet me toch ook weer aan iets groots denken. En ik ben niet de enige. George Lemaitre benoemt in 1931 het punt van waaruit via de oerknal ons universum is ontstaan als het oeratoom. We kunnen erover discussiëren of dit klopt of niet. Maar de vergelijking lijkt me in ieder geval duidelijk.

De kern van een atoom bestaat uit positief geladen protonen en neutraal geladen elektronen. Deze protonen zijn zo dicht op elkaar gepakt dat ze door hun gelijke lading elkaar dus eigenlijk zouden moeten afstoten. Dit is vergelijkbaar met het tegen elkaar aanhouden van twee dezelfde polen van twee magneten. Toch blijven deze protonen samengepakt in de dichte kern zitten. Hoe kan dit?

De wetenschap heeft zich dat ook afgevraagd en hebben ook hierop een antwoord geformuleerd. De protonen kunnen enkel bij elkaar blijven door de sterke kracht. Het pion is het elementaire deeltje dat verantwoordelijk is voor het overbrengen van deze sterke kracht. Pionen zijn energiedeeltjes net als fotonen. Zonder pionen zou een atoomkern onmogelijk kunnen bestaan. Wanneer kosmische straling diep uit de kosmos botst met onze atmosfeer gaat dit met zoveel kracht gepaard dat de elektronen wolken niet kunnen voorkomen dat atoomkernen met elkaar in botsing komen. Wanneer dit gebeurt komen er pionen vrij. Deze zijn echter zo instabiel dat ze in een fractie van een miljoenste seconde uit elkaar vallen in muonen en neutrino’s.

Neutrino’s zijn lastig de detecteren. Dit komt omdat ze zo weinig wisselwerking hebben met materie dat ze er vrijwel ongehinderd doorheen kunnen. Ze zijn dus nagenoeg onmogelijk om te vangen. Er zou een blok lood van een lichtjaar (circa 9,5 biljoen km) dik nodig zijn om de helft van alle neutrino’s die erdoorheen gaan te stoppen. Muonen bereiken vaak wel de lagere delen van de atmosfeer en kunnen zelfs tot honderden meters onder de grond terug gevonden worden. Dat zijn dus restanten van botsingen kosmische straling en atmosfeer die we terug vinden op aarden. Hoe gaaf is dat?

Het muon is uiterst klein, maar heeft desondanks toch een massa van 200 keer de massa van een elektron. De massa van deze en andere elementaire deeltjes wordt uitgedrukt in MeV (megaelektronvolt). De massa van deze deeltjes bestaat dus uit energie. Muonen en neutrino’s behoren tot de allerkleinste deeltjes die we kennen, de quarks. We weten niet of deze quarks ook nog interne structuren kennen. Ze zijn simpelweg te klein om op dit moment nader te kunnen onderzoeken.

Wat we wel weten is dat deze quarks niet zomaar bij elkaar blijven in het pion. Er is een ander deeltje voor nodig dat we gluon noemen. Gluon komt van het Engelse glue en is zo bezien de lijm van de quarks. Ook hierin zie ik weer een overlap met het universum.

Men vermoedt het bestaan van zwarte materie onder andere door de rotatie van sterrenstelsels en melkwegstelsels. Bezien vanuit de massa van de sterren en de krachten die met hun rotatie gepaard gaan, zouden ze eigenlijk uit hun baan geslingerd moeten worden. Maar iets zorgt ervoor dat dit niet gebeurt. Dat iets noemen we zwarte materie, de lijm van het universum. Dat draaien is trouwens nog een overeenkomst. Atoomkernen, evenals elementaire deeltjes hebben allemaal spin, ze draaien dus rond, net als zonnen, planeten en melkwegstelsels.

Zoals pionen zijn opgebouwd uit quarks, zo zijn protonen en neutronen ook opgebouwd uit quarks. Het verschil tussen beiden is dat pionen uit twee quarks bestaan en protonen en neutronen uit drie.

Schematische weergave van een deeltjesbotsing bij CERN

CERN heeft onder andere in Geneve een deeltjes versneller gebouwd. Hier laat met grote hoeveelheden deeltjes met bijna de snelheid van het licht op elkaar botsen. Hierdoor raken de atoomkernen elkaar en komen de quarks vrij. Eigenaardige eigenschap van deze deeltjes is dat ook dit uit elkaar vallen niet zo gaat als je zou denken. Wanneer je een glas op de grond laat vallen gaat het stuk. Er ontstaan dan allemaal kleinere stukken glas. Theoretisch zou je die stukken dan weer kunnen verlijmen tot precies datzelfde glas. De scherven bestaan uit hetzelfde materiaal als het hele glas. Wanneer we bijvoorbeeld protonen laten botsen en ze gaan stuk, dan krijgen we geen scherven proton, zoals je zou verwachten. Maar nieuwe andere deeltjes, de quarks. Iets vergelijkbaars moet ten tijde van de oerknal ook gebeurt zijn. Zat George Lemaitre er wellicht nog niet eens zo ver naast.

In deze ultrakleine wereld draaien, botsen en tuimelen deeltjes door elkaar. Ze beïnvloeden elkaar en vervallen of smelten samen tot andere deeltjes. Er gaat niets verloren en alles lijkt energie. Hoewel slechts een tipje van de quantum sluier opgelicht ben ik geboeid geraakt door dit kleine universum en de voor mij nog steeds zichtbare overlap met zijn grote broer.

Wat is het precies waar we deel van uitmaken? En gaan we daar ooit helemaal achter komen? Ik zal me hierover blijven verwonderen en vragen blijven stellen. Genietend van deze prachtig mooie wereld waarin we leven!

De gevoelige plaat

Ik kan het me nog goed herinneren. Hij was klein, rood, met batterijen en een…. rolletje. Hoe oud ik was kan ik me niet meer zo goed voor de geest halen, een jaar of 8 denk ik, maar wel dat ik er erg blij mee was. Ondanks dat je het toestel verder niet kon instellen en alleen maar kon klikken was ik er heel content mee.

De mogelijkheid anderen letterlijk door mijn ogen naar de wereld te laten kijken had me gegrepen en ik probeerde zo goed mogelijk, met deze beperkte middelen, vast te leggen wat ik zag. Het menselijk oog is een wonderbaarlijk orgaan dat samen met de visuele cortex ervoor zorgt dat we kunnen kijken. Zien is niet alleen registreren wat zich daar buiten jou afspeelt maar ook hoe jij, of jouw hersenen, datgene interpreteert. 

Als buitenbeentje geboren had ik er wel ‘ogen’ naar om de wereld te laten zien wat ik zag. Altijd het gevoel gehad hebbende de vreemde eend in de bijt te zijn, de dromer, kon ik nu die dromen proberen te visualiseren. Met mijn knutselwerken, tekeningen en schrijfsels probeerde ik dat ook wel. Maar het realisme van het beeld dat een foto gaf sprak voor mij tot de verbeelding.

Mijn vader had een spiegelreflexcamera van Minotla. Ook analoog natuurlijk, er was in die tijd niets anders. Je kon aan van alles draaien en er andere lenzen opzetten en er zelfs filters voor zetten. Dat vond ik reuze spannend. Wat zou ik daar allemaal mee kunnen proberen?
Op enig moment kreeg ik toestemming ermee te spelen. Mijn vader liet me zien welke instellingen ik aan kon passen en wat er dan gebeurde. Ook leerde hij me een rolletje inzetten, lenzen verwisselen en filters plaatsen. Ik mocht ermee fotograferen, maar moest er wel heel voorzichtig mee zijn.

Mijn eerste project waren kerstkaarten, gezien de tijd van het jaar een prima idee. Ik zette het diascherm (ja, dat bestond toen nog) op en hing er een lap stof of deken over. Haalde alle kerstattributen die we hadden uit de kast en ging aan de slag. Ik probeerde van alles. Ik stelde de spullen zo op dat ze er samen mooi uitzagen, maakte er van afstand een foto van, maar ook van heel dichtbij. Ik gebruikte filters die alles wat mistig maakte of die er een bepaalde kleurschijn aan toevoegde. Ik schoot rolletjes vol en ging daarna vol spanning deze wegbrengen. Het was een geslaagd project. Ik heb daarna nog vele jaren kerstkaarten geschoten met het toestel van mijn vader.

Het rode toestelletje heeft ergens onderweg de geest gegeven en ik kreeg een nieuwe nog steeds op rolletjes lopende opvolger. Totdat ik ergens aan het begin van deze eeuw echt in aanraking kwam met kunst en de mogelijkheid daar een opleiding in te volgen, had ik eigenlijk nooit nagedacht over de foto’s die ik maakte. Het was mijn hobby. Ik vond het leuk om te doen, maar een spiegelreflexcamera kopen met alle toeters en bellen en me verder verdiepen in de fotografie vond ik nogal wat. Dat betekende dat ik veel geld aan mezelf moest spenderen en dat vond en vind ik een beetje lastig.

Maar op dat moment eiste de opleiding die ik wilde volgen wel een bepaalde kwaliteit van de beelden die ik leverde en moest ik toch een keuze maken. Digitaal was er al, maar heel duur en een beetje onduidelijk welke kant deze evolutie uit zou gaan. De verkoper wist me ervan te overtuigen dat artistiek gezien een analoge spiegelreflexcamera toch het ultieme was en ik kocht mijn eerste Canon, met toeters en bellen.

Niet lang daarna werd deze aangevuld met een digitale powerschot van Canon. Een snapshot die in je binnenzak paste en waardoor je overal en altijd foto’s kon maken. Je had er geen rolletjes voor nodig en kon meteen zien wat je geschoten had. Ik merkte dat ik deze camera meer en meer ging gebruiken om de simpele reden dat het gesleep met de spiegelreflex me niet altijd aanstond.
De ene powershot volgde de andere op, totdat ik op een gegeven moment aanliep tegen de grenzen van het kunnen van dit apparaat. Inmiddels waren er al voorzichtig spiegelloze reflexcamera’s op de markt gekomen. Deze leverde wel de kwaliteit van een spiegelreflex maar in een wat beschaafdere verpakking. Dat zou ik graag willen! Maar wat een geld…

Ik had geluk, een goede vriend had wat uitzoekwerk liggen en ik had op dat moment even weinig om handen. Onder het motto ‘ik heb dit nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’, startte ik het uitpluiswerk. Het was een hele klus maar mijn vriend verzekerde me ervan dat hij me dit op een of andere manier zou vergoeden. Vergoeding was voor mij op dat moment niet echt belangrijk, maar hij stond erop. Dus toen ik hoorde wat ik er aan verdiend had, heb ik hem gevraagd mij daarvan dé camera te kopen die ik zo graag hebben wilde. Een spiegelloze reflexcamera van Fuji werd het. Klein compact mèt de mogelijkheid om RAW te schieten en natuurlijk de objectieven naar wens te verwisselen.

Ok, hij past niet in mijn binnenzak, maar mijn huidige uitrusting past wel in een kleine cameratas die ik makkelijk overal mee naartoe kan nemen. Ik vind inspiratie in alles om mij heen en daag mezelf steeds weer uit mooiere en betere foto’s te maken. Het in RAW kunnen schieten van beeldmateriaal betekend wel dat ik het nabewerken moet. De beelden bevatten digitaal gezien heel veel informatie maar de kleuren zijn visueel wat vlak. Ik rommel wat met Photoshop en Lightroom trials en ik probeer verschillende open source programma’s. Digibeet als ik mezelf beschouw hou ik vast aan mijn motto en leer ik gaandeweg steeds meer bij.

Mijn berg beelden groeit gestaag en af en toe post ik er wat van op een of ander sociaal kanaal. Maar toch, het meeste blijft onbeschouwd. En dat vind ik jammer. Mijn eerste doel bij fotografie, en eigenlijk bij alles wat ik creëer, is anderen meenemen in mijn wereld. De kijker door mijn ogen laten zien hoe mooi de wereld kan zijn.

Nu zit ik hier achter mijn vers gekochte Macbook met retina scherm, helemaal blij te wezen met de beelden die ik hierop kan bewerkstelligen en niemand die het ziet. Dat moet anders en bij dezen neem ik dan ook de volgende stap. Ik ga dit platform gebruiken om mijn wereld te tonen aan een hopelijk groeiend publiek. Vanaf nu zal ik elke week een foto kiezen, vers door mij gemaakt of uit mijn archief dat ik flink aan het oppoetsen ben, en jullie aan de hand van dat beeld meenemen in mijn wereld.

De gevoelige plaat is misschien in letterlijke zin ingewisseld voor een chip, maar voor mij bestaat hij nog steeds. Het gevoel zit in de verwondering, in de schoonheid van vergankelijkheid of het buitenaardse voorkomen van de schepsels op onze planeet. Het even stilstaan bij de dingen waar we normaal geen acht op slaan.

Deze blog kan ik natuurlijk niet afsluiten zonder een eerste ‘gevoelige plaat’ aan te halen.
Ik kijk graag naar de wolken. Ze kunnen dreigend zijn, of lief. Wit, grijs, groen, bijna zwart of zelfs roze of oranje. Hoe de zon ermee speelt, ze diepte geeft.

Achter de wolken straalt de zon! En de reis gaat door en het verwonderen gaat door en vriendschap gaat door. Ik verwonder me er over en glimlach tevreden…

Dëulke

Ze zitten met een stuk of wat in de boom van de achterburen die grenst aan ons perceel. Zijn zijn pienter, snel, sociaal en uitgekookte opportunisten.  Ze vreten alles dat los en vast zit. Zo ook het voer dat ik voor de mezen en andere kleine vliegende vrienden in de tuin heb liggen. Maar het deert me niet. Ik vind het gezellige buren waar ik uren naar kan kijken.

Mijn vader vertelt altijd dat zijn ouders er een tam maakte toen hij vroeger klein was. Die zat niet in een kooitje. Nee, die vloog gewoon vrij rond, wetende dat hij op dat ene adres in de Dorpstraat altijd terecht kon voor een maaltje. Een echte vagebond dus. Zelfs toen mijn grootouders besloten dat het wel welletjes was geweest met deze gevleugelde vriend en hem cadeau deden aan iemand anders, keerde hij uit gewoonte als vanzelf weer terug op zijn oude vertrouwde ‘nest’. 

Ook ik leerde in mijn jeugd deze vogel van dichtbij kennen. Hoewel dat niet perse de vriendelijkste leerschool is geweest. 

Op een warme dag liep ik onze straat uit richting bakker. Mijn moeder liep als gewoonlijk met mij mee. In de verte zagen we in een voortuin op een paaltje aan de rand van de weg er een zitten. We vervolgde ons pad verwachtende dat, wanneer we te dicht zouden naderen, onze gevleugelde vriend het hazenpad zou kiezen.

Niets was minder waar. De vreemde vogel bleef zitten waar hij zat en hield ons nauwlettend in de gaten. Wellicht had hij een nest dichtbij. Hoe dan ook hij beschermde zijn plekje met hand en tand… of snavel in dit geval, zo bleek toen wij te dicht naderde. De vogel sprong op, landde op mijn hoofd om mij vervolgens ongenadig hard te pikken.

Ik schrok, wuifde de vreemdeling uit mijn haren en liep er met flinke pas bij vandaan. Zijn doel was bereikt, hij had mij uit zijn territorium verdreven.

Ondanks dat bleef mijn fascinatie voor deze zwarte vlieger en zijn neven en nichten altijd bestaan. Want ja, hij heeft een zeer uitgebreide familie, waar niet iedereen altijd even blij mee is. Maar ik vind ze machtig mooi. Ik beken, kraaiachtigen vind ik mooi. Kraaien, roeken, eksters, gaaien, en dus ook ‘ut dëulke’, of kauw zoals jullie hem noemen. 

Maar hoewel ik ze allemaal interessant vind, heeft die laatste toch een speciaal plekje in mijn hart. Hij is kleiner dan een kraai of roek, heeft een mooier verenkleed en een sympathiekere snavel. Ik moet er niet aan denken dat er destijds een roek op mijn hoofd geland zou zijn! 

Verder zijn ze intelligent, beetje mysterieus en niet voor een gat te vangen. Ze verdrijven met regelmaat spechten uit hun vers uitgeholde nest om er vervolgens zelf een nest in te bouwen. Maar ook grote rovers gaan ze niet uit de weg. Mocht er ergens een buizerd opduiken, die zij als bedreiging zien, dan jagen ze hem met een paar man sterk gewoon even weg.

Onderling heerst er een degelijke sociale orde. Ze huwen voor het leven en zijn dus monogaam. Maar een vrouwtje met een hogere status zal nooit een mannetje kiezen van lagere rang. Andersom zal ze wel, als ze de kans krijgt, een kerel verleiden die hogergeplaatst is dan haarzelf. Trouwen op stand noemen we dat. 

Ze zijn niet graag alleen en leven in kleine groepen. Waarbij ze op een dag heel wat af babbelen. Dat klinkt gezellig zo op de achtergrond. Maar de discussie kan ook hoog oplopen en zelfs eindigen in een ordinaire ruzie. Als de gemoederen dan weer bedaard zijn en de pikorde opnieuw gesteld gaan ze weer vrolijk over tot de orde van de dag.

Ze zo aanschouwende vanuit mijn achtertuin zijn het vaak net mensen.

Maar behalve dat het echt leuke beesten zijn heb ik ook gewoon iets met hun naam. Van alle Limburgse woorden staat dëulke toch redelijk bovenaan mijn lijstje. Het klinkt zoet en ondeugend, mooi en grappig tegelijk. Wat mij betreft omschrijft het dit gekke, pientere, sluwe vogeltje perfect. 

Toen mijn schoonvader tijdens een van onze eerste ontmoetingen, wijzend op een zwarte vogel in de verte, aan mij vroeg of ik wist wat dat voor beestje was, antwoordde ik ook trefzeker met ‘ja, dat weet ik wel, dat is ‘un dëulke’.

Wat ik toen nog niet wist is dat ik met die paar woorden mijn natuurlievende en zeer trotse Limburgse schoonvader, meteen voor me gewonnen had.

Dus bij dezen, schenk ik jullie een voor mij wonderlijk woord. Want met alle respect, zeg nou zelf, dëulke klinkt toch veel beter dan kauw? Kauw klinkt veel te lomp en zwaar voor dit bijzondere wezentje. Zelfs het regelmatig gebruikte verkleinwoord kauwtje, doet me niet veel schattiger aan.

Dus als je ze nog eens tegenkomt en je ziet ze bekvechten, gezellig kwebbelen of een monster van een buizerd verjagen, sta er dan even bij stil. Observeer deze bijzondere vogel en denk dan aan ‘ut dëulke’.

Een kennismaking met de gorilla’s deel 1

Wij mensen hebben hun naam flink door het slijk gehaald. Tot de jaren 50 hadden ze een imago van zwarte monsters die er op uit waren om mensen te doden. We hebben dat op zijn Homo Sapiens opgelost; we hebben ze zo enorm bejaagd dat ze op de lijst van meest bedreigde diersoorten staan. Ik heb het over de sterkste der primaten: de Gorilla. Maar DE gorilla bestaat niet, ik kom daar zo op terug. Nu we ze juist beschermen in plaats van ze de dood in jagen komen we er achter dat deze mensaap juist enorm verlegen is en geweld uit de weg gaat. Het is een vegetariër dat een enkele keer een paar termieten eten niet schuwt. Ik heb de afgelopen maanden boeken over studies van het gorilla-leven verslonden en me vierkante ogen zitten kijken naar documentaires op You Tube. Ik ben gevallen voor ze…..

DE gorilla bestaat niet. Er zijn namelijk 4 soorten gorilla’s die ieder een eigen leefgebied heeft en ieder met een ander uiterlijk. In eerste instantie zijn er 2 onderscheiden gebaseerd op het leefgebied en binnen het leefgebied zijn er 2 varianten.

De Westelijke Gorilla (Gorilla gorilla)

  1. Westelijke laaglandgorilla (Gorilla gorilla gorilla)
  2. Cross River gorilla (Gorilla gorilla diehli)

De Oostelijke gorilla (Gorilla beringei)

  1. Berggorilla (Gorilla beringei beringei)
  2. Oostelijke laagland gorilla Grauer gorilla (Gorilla beringei graueri)    

De meest bekende qua uiterlijk is de Westelijke laagland gorilla. Deze tref je in bijna alle dierentuinen aan.

Een verdieping van de soorten van de gorillastichting:

1. De westelijke laaglandgorilla

Ondersoort:Westelijke laaglandgorilla
Lengte rechtop: mannen tot 165 cm, vrouwen tot 140 cm
Gewicht: mannen ca. 160-200 kilo, vrouwen 50-90 kilo
Voedsel: vruchten, bladeren, stengels en boomschors
Leeftijd in het wild: tot 45 jaar
Geslachtsrijp: vanaf 8 jaar
Draagtijd: ongeveer 8,5 maanden, er is geen specifiek geboorteseizoen
Geboortegewicht:: ca. 2 kilo
Aantal jongen: 1, tweelingen komen voor maar zijn heel zeldzaam

De westelijke laaglandgorilla’s zijn kleiner dan de berggorilla. Hun vacht is korter en minder dicht begroeid. De meeste hebben bruin haar boven op hun hoofd. Ze leven in Kameroen, Centraal Afrikaanse Republiek, Equatoriaal Guinee, Gabon en Congo-Brazzaville. Van alle gorillaondersoorten zijn er van de westelijke laaglandgorilla nog de meeste dieren over, naar schatting zo’n 361.900. Zij leven in kleine familiegroepjes en doen dat bij voorkeur op de grond. De vrouwen maken soms nog nesten in bomen; de zilverrug is daar te zwaar voor. Hij slaapt met een deel van de groep in een nest van bladeren en takken op de grond. Jonge gorilla’s delen hun nest met hun moeder.

Deze gorillaondersoort eet dagelijks 20 tot 30 kilo aan plantaardig voedsel: vruchten, bladeren, schors en stengels. Van westelijke laaglandgorilla’s is bekend dat ze ook regelmatig termieten eten. Om die te bereiken gebruiken ze geen stokje, zoals chimpansees doen. Ze breken de termietenheuvel gewoon open! Vruchten zijn zeer geliefd, maar omdat die niet altijd beschikbaar zijn, is dit niet altijd het hoofdbestanddeel van hun voedsel. Deze gorilla’s leggen per dag geen grote afstanden af. Ze zijn vooral in de ochtend actief. Ze eten het voedsel dat voorhanden is en schuiven na verloop van tijd een stuk op om verder te eten. In de middag rusten ze de volwassenen uit; de jongen gebruiken die tijd om met elkaar te spelen.

2. De Cross River gorilla


Ondersoort: Cross River gorilla
Lengte rechtop: mannen tot 170 cm, vrouwen tot 140 cm
Gewicht: mannen ca. 140-200 kilo, vrouwen 50-90 kilo
Voedsel: bladeren, stengels, boomschors, grassen en vruchten
Leeftijd in het wild: tot 45 jaar
Geslachtsrijp: vanaf 8 jaar
Draagtijd: ongeveer 8,5 maanden, er is geen specifiek geboorteseizoen
Geboortegewicht: ca. 2 kilo
Aantal jongen: 1, tweelingen komen voor maar zijn heel zeldzaam

 

De algemene gegevens van de Cross River gorilla en die van de westelijke laaglandgorilla verschillen niet veel van elkaar. Toch worden de Cross River gorilla’s, na hun ontdekking in 1904, als een aparte ondersoort gezien. Uit onderzoek is gebleken dat de verschillen vooral in de vergelijking tussen de schedels van beide ondersoorten zitten. De Cross River gorilla heeft een smallere kaak en een kortere en smallere schedel in vergelijking met de westelijke laaglandgorilla. Onderzoek lijkt erop te wijzen, dat ook de handen en voeten korter zijn bij de Cross River gorilla. De lengte van de armen en benen wijkt niet af van die van de westelijke laaglandgorilla.

De Cross River gorilla’s danken hun naam aan het gebied waar ze leven; bij de Cross River op de grens van Kameroen en Nigeria, op 300 kilometer afstand van de andere westelijke gorilla’s. Het zijn hiermee de meest westelijk en noordelijk levende gorilla’s. Zij zijn van alle ondersoorten het meest bedreigd. Aangenomen wordt dat er nog 250-300 individuen zijn, die verspreid leven over ongeveer 9 van elkaar geïsoleerde gebieden. Door menselijke activiteiten is hun leefgebied verdeeld geraakt. Hierdoor kunnen de gorilla’s elkaar niet meer bereiken. Dit maakt de kans op hun voortbestaan erg klein.

Er is onderzoek gedaan naar verschillende groepen Cross River gorilla’s in diverse leefgebieden. De uitkomsten tonen veel overeenkomsten tussen de dieren. Er zijn echter ook gedragingen die locatiegebonden lijken te zijn. In het algemeen kan worden gesteld dat de groepssamenstelling kleiner is dan die van de andere gorillaondersoorten. Met in totaal vier tot zeven individuen bestaat de groep uit één zilverrug met zijn vrouwen en hun jongen. Ook deze gorilla’s maken nesten, maar doen dat afhankelijk van het seizoen op de grond of (vooral tijdens het regenseizoen) in bomen. Ze maken vaak meerdere nesten per dag, die ze soms ook hergebruiken.

Het voedsel van de Cross River gorilla’s is ook seizoensafhankelijk. De voorkeur gaat uit naar fruit; daarnaast eten ze bladeren, kruiden en boombast. In de droge periodes wanneer er minder fruit voorhanden is, nemen ze genoegen met het overige eten.

Bij de groep die leeft op de Kagwene berg in Kameroen is iets bijzonders waargenomen. Gorilla’s in deze groep gooien namelijk met gras en takken als ze in contact komen met mensen. Dit gedrag is mogelijk ontstaan in conflictsituaties met mensen, die boerderijen in het leefgebied van de dieren hebben aangelegd. Het gebruik van grassen en takken als verdedigingsmateriaal is alleen in deze groep waargenomen.

3. De berggorilla

Ondersoort: Berggorilla
Lengte rechtop: mannen tot 175 cm, vrouwen tot 140 cm
Gewicht: mannen ca. 160-220 kilo, vrouwen 80-100 kilo
Voedsel: bladeren, stengels, boomschors, wortels, bamboe en distels
Leeftijd in het wild: tot 45 jaar
Geslachtsrijp: vanaf 8 jaar
Draagtijd: ongeveer 8,5 maanden, er is geen specifiek geboorteseizoen
Geboortegewicht: ca. 2 kilo
Aantal jongen: 1, tweelingen komen voor maar zijn heel zeldzaam

De berggorilla is de op één na grootste gorilla. Berggorilla’s leven in het bergachtige grensgebied van Oeganda, Rwanda en in de Democratische Republiek Congo. Berggorilla’s hebben een dikke, lange vacht. Een groep kan tot wel 30 individuen bevatten. En hoewel ook deze soort meestal maar één zilverrug in de groep heeft, zijn er ook groepen met meerdere mannen waargenomen. Deze mannen zijn vrijwel altijd vader en zoon of broers, die de groep samen leiden. Doordat er op die manier meer veiligheid en bescherming geboden kan worden, is het mogelijk in grotere groepen samen te leven.

Wanneer de jongen wegtrekken uit hun geboortegroepen, dan sluiten de jonge vrouwen zich al snel aan bij een naburige groep. Jonge mannen zijn in staat op zichzelf te leven totdat ze hun eigen vrouwen hebben gevonden. Het kan ook zijn dat ze zich bij een vrijgezellengroep aansluiten. Samen met andere jongvolwassen mannen trekken ze dan rond.

Berggorilla’s eten van alle gorilla’s het meest vezelrijke voedsel. Hoewel het vegetariërs zijn, is berekend dat ze – onopzettelijk- met hun groente toch zo’n 1000 dieren/ insecten per dag binnenkrijgen. Van alle gorilla’s is er het meeste onderzoek naar berggorilla’s gedaan. Het meest bekend is hierbij het werk van Dian Fossey waarover de film “Gorilla’s in the mist” is gemaakt. Veel mensen denken bij een gorilla dan ook direct aan deze film en aan de berggorilla. Maar de meeste mensen, zullen nooit een berggorilla in het echt zien. Deze ondersoort vind je namelijk niet in de Europese dierentuinen. In praktisch alle dierentuinen kom je de westelijke laaglandgorilla tegen. De laatste tellingen gaan uit van 880 individuen.

4. De Grauer gorilla

 

 

Ondersoort: Grauer gorilla (oostelijke laaglandgorilla)
Lengte rechtop: mannen tot 180 cm, vrouwen tot 150 cm
Gewicht: mannen ca. 160-240 kilo, vrouwen 80-110 kilo
Voedsel: bladeren, stengels, boomschors, wortels, bamboe en distels
Leeftijd in het wild: tot 45 jaar
Geslachtsrijp: vanaf 8 jaar
Draagtijd: ongeveer 8,5 maanden, er is geen specifiek geboorteseizoen
Geboortegewicht: ca. 2 kilo
Aantal jongen: 1, tweelingen komen voor maar zijn heel zeldzaam

De Grauer gorilla’s zijn de grootste van de vier ondersoorten. Ze vertonen veel gelijkenissen met de berggorilla’s, maar zijn groter en zwaarder en hebben een kortere, minder dichte vacht. De groep bestaat over het algemeen uit één zilverrug met zijn vrouwen en jongen, maar net als bij de berggorilla komen ook hier groepen voor met meerdere volwassen mannen. Ook bij de Grauer gorilla zijn vrijgezellen groepen waargenomen.

Van alle gorillasoorten zijn de Grauer gorilla’s het meest verspreid in hoge leefgebieden. De naam oostelijke laaglandgorilla lijkt daarom niet helemaal correct. Feitelijk leven deze gorilla’s nauwelijks in het laagland.

Recentelijk is er een onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat het aantal Grauer gorilla’s sterk is afgenomen. De gorilla’s hebben erg te lijden onder de instabiliteit van de regio waarin ze leven. Daarnaast vallen ze vaak ten prooi aan jagers voor bushmeat. Op dit moment wordt hun aantal nog op slechts 3800 individuen geschat, waarmee hun status als ernstig bedreigd wordt aangemerkt.

Een kennismaking met de gorilla’s Deel 2

Ik vond apen stom. Apen zijn druk. Apen schreeuwen. Apen stinken. Apen zijn aanstellers. Dit is in het kort en enigszins gekuist mijn idee over de aap in het algemeen en de chimpansee in het bijzonder. Ik kon maar niet begrijpen waarom het toch altijd zo druk was in de dierentuin bij de apenkooi. Apenkooien was op school het minst erge van gym en ook daar zijn bovenstaande omschrijvingen op van toepassing. Het meest gênante bij apen in de dierentuin zijn de toeschouwers. Let daar maar eens goed op wanneer je daar eens staat. Om de 10 seconden de leuke vader met zijn “kijk eens Pietje, dat ben jij joh”. Kinderen die ineens gekke bekken gaan trekken, terwijl ze bij voorgaande kooien zo rustig waren. En dan de hele tijd, zowel de ouders als de kinderen, dom lachen om die apen. Terwijl de aap gewoon lekker zichzelf is en apengedrag vertoont, slaan de toeschouwers zich een blauwe knie van het lachen, om vervolgens weer zwijgend naar de volgende gekooide attractie te gaan.

Kortom, Paul en apen, das was hem niet. En dan ineens….ik kijk de documentaire Virunga op Netflix en val van de ene in de andere verbazing. Beschermde gorilla’s die betrokken worden in een vuige oorlog van hun collega-primaat de mens. Ik zie heftige emoties bij gorilla’s. Angst, tranen en hun oren afdekkend bij weer een mortier-inslag. Ik zie rangers die met gevaar voor eigen leven passievol het leven van de gorilla’s beschermen. Ik maak kennis met de Belgische aristocraat Emmanuel de Merode, de eigenaar van het Virunga national park dat met zijn 8.000 km² op de Unesco Werelderfgoedlijst staat. Ik kijk met betraande ogen naar de inwoners van Congo die de bergen invluchten. Ik val van mijn stoel van verbazing van de hebzuchtige militairen die het Virunga park met al zijn prachtige flora en fauna betrekken in een zinloze burgeroorlog.

Met een harde klap sla ik mijn macbook dicht. Ik voel me boos, verdrietig en machteloos. Ik wil wat doen. Ik wil dieren helpen. Ik wil niet dat zij worden betrokken in het bloedige slachtveld van ons mensen. Ik ga informatie verzamelen over het Virunga park. En dan stuit je vanzelf op de gorilla’s. Hoe langer ik kijk, des te meer indruk maken deze vriendelijke reuzen. Ik ga verder zoeken dan de oppervlakkige documentaires. Ik begin boeken te kopen over het leven van de gorilla en zo zit ik juni 2018 met een passie voor gorilla’s. Ik begin hun leven te begrijpen. Wat ik lees in studies ga ik herkennen in het gedrag dat ik op Youtube documentaires zie.

Ik lees over opvangcentra voor jonge gorilla’s in Congo. Ik lees over zwaar gestresste jonge gorilla’s die getuige zijn geweest van de zinloze afslachting van hun ouders en alle andere dieren van de groep waar ze tot voor kort nog bij hoorden. Ik zie hoe mooi deze opvangcentra omgaan met de kleine zwarte wezentjes voor wie de wereld er weer iets beter begint uit te zien. Daar gaat mijn geld heen! Naar een opvangcentrum voor gorilla-weesjes. Mijn zoektocht eindigt bij de gorilla-stichting Nederland. Ik besluit 2 gorilla’s te adopteren door maandelijks een bedrag over te maken. Dit zijn de certificaten die daar bij horen:

Ik zal jullie nog wel vaker gaan vertellen over dit rustige, mooie en vredelievende dier. Mocht ik jullie hebben opgewarmd om ook deze met uitsterven bedreigde dieren te helpen, ga dan eens naar www.gorillastichting.nl

Vergeten eten.

Voedsel. We hebben het allemaal nodig, kunnen niet zonder bestaan. Te veel is echter ook niet goed voor ons. En toch kunnen we het niet altijd weerstaan.

Voor mij is voeding bron van verwondering. Ik lust alles. Iets waar Paul en ik het al vaker over gehad hebben. Want hoe zit dat dan,… dat ik alles lust?

Voor een deel zit dat natuurlijk in mijn opvoeding. Ik moest vroeger alles eten. Niet dat ik met een trechter in mijn mond gedwongen werd alles te verwerken wat mijn ouders in hun keukentje brouwde. Maar als er een smaak was die me niet zo aanstond, dan werd ik toch gemaand er in ieder geval iets van te nemen. Door steeds kleine beetjes van die vreemde smaak tot me te nemen wende ik eraan en leerde hem waarderen.

Daaruit voort volgde mijn fascinatie voor eten en het bereiden ervan. Op vakantie wil ik graag lokaal eten. Voedsel zegt heel veel over mensen en hun cultuur. Het is ook heel persoonlijk. Intiem bijna. Wanneer iemand je iets te eten aanbiedt, neem je letterlijk iets van die ander tot je. Iemand die met liefde en geduld iets bereid heeft, zorg besteed heeft aan alle ingrediënten en dat dan bereid is met jou te delen, komt dicht bij en geeft een stukje persoonlijkheid bloot. Dat vind ik mooi. Die aandacht verdient mijn aandacht. En dat gegeven proef ik dan graag.

Eten is niet vies. Als iets echt vies is, dan is er iets niet mee in orde. Vies is de natuur die ons wil zeggen ‘eet dit niet, hier ga je ziek van worden’. Vreemd of onbekend is iets anders dan vies. Als anderen het eten, kan ik het ook eten. En dat probeer ik dan ook graag. Zo kun je letterlijk cultuur proeven.

Maar er is nog iets dat mij fascineert. Vergeten eten.

Er zijn producten die men vroeger wild plukte of teelde die we nu niet meer eten. In oude kookboeken kom je dan ingrediënten tegen waar je nog nooit van gehoord hebt of waarvan je niet weet dat ze eetbaar zijn. Ik vind het leuk om juist die recepten toch te proberen en de smaken van vergane tijd te proeven. Het voelt als tijdreizen wanneer ik proef wat mijn voorouders maakte.

Vaak blijken het bijzonder smaakvolle gerechten of producten te zijn en vraag ik me af waarom we dit niet meer eten of drinken…. Ligt het aan het verbod op wildplukken? Of is de teelt te ingewikkeld? Misschien vergt de bereiding te veel tijd? Ik heb geen idee. Maar ik ga op onderzoek uit! Reizen door de tijd in plaats van door de ruimte.

Het eerste dat ik met jullie delen wil is lievevrouwebedstro, of walstro. Het is een klein plantje, dat als bodembedekker vaak in tuincentra verkocht wordt. Maar dit kruidje is natuurlijk niet ontstaan in het tuincentrum.

In het bos bij mij in de buurt groeit het rijkelijk. Het is een fris groen plantje dat ongeveer 30 cm hoog wordt. In het voorjaar bloeit het met hele kleine witte bloemetjes en het geurt heerlijk. Vooral nadat het plantje gedroogd is komen de geuren vrij.

Vroeger plukte men lievevrouwebedstro en legde het, wanneer gedroogd, in het wiegje van een kind, opdat het dan heerlijk slapen zou. Ook werd het door het stro gemengd waarvan men destijds matrassen maakte. Vandaar de naam lievevrouwebedstro. Walstro verwijst naar de wieg. De laatste naam is wat minder in gebruik, maar refereert dus aan hetzelfde plantje.

Maar er is nog iets. Lievevrouwebedstro is te consumeren! Je kunt er siroop van maken en het gebruiken om je water, yoghurt, ijs, of wat je nog meer kunt bedenken van smaak te voorzien. Ook zijn er recepten die een takje lievevrouwebedstro aan wijn toevoegen om zo het aroma van dit friszoete plantje aan een jonge lichte wijn over te dragen.

Maar ik ga voor de siroop. Dus pluk ik 200 gram lievevrouwebedstro. Gewoon uit de tuin, geen zorgen, ik heb de natuur er niet voor geplunderd. Het recept zegt dat ik deze eerst drogen moet. Mijn handen jeuken, maar ik moet dus geduld hebben.Wat ik verder nodig heb is twee liter water, een kilo suiker en drie citroenen.

Wanneer het kruid eenmaal droog is haal ik de blaadjes en bloemetjes van de steeltjes. Ze ritsen er gelukkig makkelijk af. De steeltjes doe ik weg, die heb ik niet nodig. Goed, we kunnen van start!

Ik doe de kilo suiker samen met 2 liter water in een grote stoofpan. Zet het mengsel op het vuur en verwarm dit zodat de suiker makkelijk oplost in het water. Ondertussen was ik de drie citroenen en snij ze daarna in plakjes. De schil laat ik gewoon zitten.

Wanneer de suiker helemaal is opgelost neem ik de pan van het vuur en voeg ik de citroen en lievevrouwebedstro toe. Ik dek de pan af met het deksel en moet nu dit mengsel een nacht (of maximaal 2) laten staan. Persoonlijk vind ik 1 nacht wel voldoende om mijn geduld op de proef te stellen.

De volgende dag zeef ik het mengels door een kaasdoek. Zo hou ik alleen een lichtgekleurd helder mengsel over. Dat mengsel verhit ik en laat ik ongeveer 7 minuten koken. Ha! Nu zijn we bijna klaar. Omdat ik toch even wachten moet en omdat ik mijn siroop graag een tijdje wil kunnen bewaren was ik wat kleine weckpotjes grondig. Alles staat nu klaar voor de oogst van mijn siroop!

De timer geeft aan dat de kooktijd verstreken is. Dat betekent dat ik het brouwsel nu in de potjes kan doen. Zodra ik een potje heb gevuld en voorzien van een deksel leg ik het neer om af te koelen. Een suikermengsel wordt erg heet, dus laat ik het wel uit mijn hoofd de potjes te roeren. Wel kan ik alvast wat labels maken. Eenmaal afgekoeld voorzie ik elk potje van een label en zet ik ze in de koelkast.

Een potje is niet helemaal vol, dus die maak ik meteen open. De siroop geurt heerlijk. Maar hoe zou het smaken? De smaak is geweldig! Het is zoet, maar toch ook fris. Het heeft iets van vanille, maar ook iets van kokos. Ik proef het voorjaar en ben erg tevreden met dit culinaire experiment. Door mijn hoofd schiet al wat ik er allemaal van maken kan en wie ik er blij mee maken ga…

Gorilla

Ik heb een redelijk typische afwijking. Ik wil namelijk altijd alles weten wanneer iets of iemand mij interesseert. Gelukkig heb ik nu een platform gevonden om deze afwijking wereldkundig te maken. Ik heb weer een nieuw onderwerp gevonden waar ik me volledig in vastbijt en waar ik al weken alles over lees, kijk en wonderwerp. Momenteel houden de Gorilla’s mij bezig. Ik wil alles weten van deze prachtige dieren. Ik verwonder me elke minuut van de dag meer over de intelligentie van dit prachtige dier waarvan 98,6% van hun DNA gelijk is aan ons. Ik verwonder me dat er 4 soorten zijn en dat wij mensen het weer voor elkaar krijgen om deze dieren zo te bejagen dat ze op dit moment de meest bedreigde diersoorten zijn. Ik ga dan ook mijn bevindingen van deze prachtige dieren met jullie delen in een serie artikelen. Op bijgaande foto zien jullie de berg gorilla. Op dit moment de meest bedreigde binnen de Gorilla gemeenschap. Over hen zal ook mijn eerste artikel gaan.

Dronken geloof

Ik kwam deze foto tegen in de national Geographic van oktober 2017. Wij zien hier een moskee van bamboe in Balukhali. Dat is een vluchtelingenkamp in Bangladesh. Het artikel waar de foto bijhoort ging over de misstanden jegens de Moslims in het overwegend Boeddhistisch Myanmar. Ik kon een glimlach om het t-shirt van de derde persoon van links niet onderdrukken. Erg streng in de leer zullen ze daar niet zijn….

Wonderwerpen podcast Jazz

Een tijdje geleden hadden Paul en ik het over muziek. Toen kwam ook Jazz voorbij en beloofde ik eens diep in mijn collectie te duiken en wat voor hem samen te stellen.

Nou bij dezen, een Podcast met en over Jazz die mij bekoren kan.
Hopelijk een overzicht dat aanzet tot inspiratie en Wonderwerpen yet to come.

Luister ze!

Multiversum

Bubblin’Multiverse

Multi is een graag gebruikt voorvoegsel in onze taal. Meestal is het duidelijk wat ermee bedoeld wordt. Zo roept het woord multimiljonair meteen een beeld op van een iets te dikke, sigaarrokende en met goud behangen zestiger in een veel te dure Maserati, geparkeerd voor zijn eigen villa met palmbomen en een zwembad. Uiteraard vergezeld door een veel jongere dame van Russische komaf, die niet zijn dochter lijkt te zijn…

Meer dagelijkse voorbeelden als multifunctioneel, multicultureel of multiplex roepen ook meteen een beeld op. Zelfs bij multivlaai kan ik me een voorstelling maken, helaas. Al heb ik geen idee waarom je meerdere fruitsoorten bij elkaar zou kwakken op deze, in principe, Limburgse lekkernij en ze dan ook nog aftopt met een bijzonder glibberige laag gelei of gelatine. Dit, kan ik verklappen, heeft weinig met Limburg te maken, maar dat terzijde.

Hoe dan ook, multi staat voor veel meer dan een, dat is voor iedereen duidelijk. Toch duikt er in de media steeds vaker een woord op dat bij mij vraagtekens oproept. Multiversum. Dat is een raar woord. Het impliceert een meervoud van het universum. Maar zover ik begrepen heb is het universum oneindig groot. En van dat oneindige grote universum zouden er dan veel meer dan een zijn.

Iets dat oneindig groot is kent geen grenzen. Het lijkt mij onvoorstelbaar dat daar een meervoud van mogelijk zou kunnen zijn. Maar toch, ik ga op onderzoek uit…

Het eerste dat ik mij herinner is een Studium Generale lezing van niet al te lang geleden waarin een professor technische natuurkunde de magische woorden ‘als het kan, dan moet het’ sprak. Waarmee hij bedoelde dat als theoretisch gezien iets mogelijk is, het er dan ook zijn moet. Is het theoretisch gegeven niet te vinden door de technici, dan klopt de theorie niet en moet men terug naar de tekentafel. Simpel.

Maar hoe zit dat dan met het multiversum? Zou het kunnen? En moet het dan ook?

Als het kan, dan moeten er theoretici zijn die hier iets over te zeggen hebben. En die zijn er. Kosmoloog Andrei Linde is er zeker van. ‘Niemand kan de theorie van het multiversum ontkrachten.’ Je hoeft geen wetenschappelijk wonder te zijn om die zin te snappen. We kunnen immers niet even gaan kijken of het waar is of niet. Maar ik vermoed dat Linde er toch iets anders mee bedoelt dan mijn simpele verklaring. Dus zoek ik verder…

Ik heb geluk. Eind april is er een lezing bij Studium Generale in Maastricht met de titel ‘Het multiversum: is ons heelal er één uit velen?’. Daar moet ik heen!

Prof. dr. John Heise legt uit dat ons heelal het geheel aan ruimte, tijd en fysische wetten is. Dat heelal leren we steeds beter kennen. We leren ook steeds meer over het ontstaan ervan en de mogelijke oerknal die daarbij plaats gevonden zou hebben (waarbij knal een vreemd begrip is omdat er in een vacuüm als de ruimte geen geluid bestaat). Hoe meer we leren, hoe vaker we ontdekken dat we veel dingen niet of niet goed genoeg begrijpen. Zo ook de oerknal.

Het principe ‘eerst was er niets en toen ontplofte dat ook nog’, roept vele vragen op. De vraag ‘Wat was er voor de oerknal?’ hield ook de wetenschap bezig en inmiddels lijkt men daar met de inflatietheorie een oplossing voor gevonden te hebben.

Om deze theorie te begrijpen moeten we eerst begrijpen wat een vacuüm is. Een vacuüm is een lege ruimte. Maar die ruimte is niet zomaar leeg. Men heeft ontdekt dat in een vacuüm uit het niets deeltjes kunnen ontstaan en ook weer verdwijnen. In een vacuüm is geen deeltjes behoud. Dit betekent letterlijk dat er dus wel deeltjes bestaan maar dat die niet lang genoeg ‘leven’ om werkelijk iets te vormen en dus is er niets. Er gebeurt in zo een vacuüm dus van alles maar het is tegelijkertijd zo leeg dat wij het als leeg ervaren. Ondanks die leegheid fluctueert de lege ruimte constant. Lege ruimte, zo meent men nu, is het aspect dat tegen de zwaartekracht werkt. Moet er dan iets zijn dat tegen de zwaartekracht werkt, hoor ik je denken? Ja, dat moet. Als we de wetten van Newton loslaten op het heelal, zou dit heelal door de zwaartekracht weer instorten. Het simpele feit van ons bestaan bewijst dat het heelal nog bestaat en naar we nu weten, zelfs groeiende is. Dus moet er een kracht zijn die dit tegen werkt. Die kracht zit dus verscholen in de lege ruimte.

De velden in de lege ruimte staan nooit stil, ze fluctueren constant. Niets staat ooit stil. De lege ruimte heeft een negatieve druk. Om een lege ruimte groter te trekken heb je energie nodig. Het heelal dijt uit, het vacuüm wordt groter. Er moet dus ergens een kracht zijn die dit veroorzaakt, anders zou het allemaal instorten. Als voorbeeld haalde de prof. Heisse het Casimir effect aan. Dit, binnen de scheepvaart, zeer bekende effect laat zien dat wanneer 2 schepen te dicht naast elkaar liggen ze elkaar op de een of andere magische wijze aantrekken en uiteindelijk zelfs zullen botsen. De magische aantrekking tussen deze twee vaartuigen is uiteraard helemaal geen knap staaltje toverkunst die de natuurkunde niet kan verklaren. In de ruimte tussen de twee schepen ontstaat logischerwijs een luwte in de golfslag van de zee. De schepen breken met hun romp de golfslag van de zee aan beide kanten en in de ruimte tussen hen is het daardoor relatief rustig. Maar aan de buitenkant blijft de zee gewoon haar golfslag behouden en drukt op die manier de twee schepen naar elkaar toe waardoor ze uiteindelijk zullen botsen. Zo is het ook met de lege ruimte. Wanneer de krachten aan de buitenkant te sterk zijn zal deze ruimte steeds kleiner worden en uiteindelijk ophouden te bestaan. Tenzij er een kracht in deze lege ruimte bestaat die dit tegengaat.

Als we op het eerste oog de ruimte in turen, lijkt onze ruimte een homogene massa te zijn. Sterrenstelsels, nevels en andere zaken lijken redelijk gelijkmatig verdeeld. Zelfs de kosmische straling die we inmiddels weten op te vangen toont geen sporen van onregelmatigheid. Maar als er totaal geen onregelmatigheid zou zijn dan zou er sprake zijn van een statisch heelal en dat is, inmiddels aangetoond, niet het geval. Ons heelal dijt uit. Welke kant we ook op turen alles lijkt zich van ons te verwijderen. De onregelmatigheid moet zich dus in het hele kleine bevinden. Zoals de vlinder die met een slag van zijn vleugels in de amazone aan de andere kant van de wereld een storm zou kunnen veroorzaken. Zo kunnen kwantumfluctuaties binnen de lege ruimte ook zorgen voor een kwantumsprong die een enorme grote expansie teweegbrengt en zo de inflatie geeft die het heelal heeft kunnen doen ontstaan. Andrei Linde stelt de eeuwig chaotische inflatie voor als bubbels die opwellen in de oersoep. Elk van deze bubbels kent zijn eigen natuurwetten en constante. Dat betekent dus dat in een ander universum hele andere regels en elementen voor kunnen komen. Wellicht ook dimensies die wij niet begrijpen. Volgens Linde vormen deze wetten en constanten zich wanneer de inflatie overgaat in de oerknal. Hoe inflatie overgaat in een oerknal weten we nog niet precies. Stephen Hawking meende zelfs dat deze inflatiereeks niet eeuwig door zou kunnen gaan en dat alles dus ook weer een keer op zal houden te bestaan. Wie zal het zeggen? Ook wordt er voorspeld dat het mogelijk is dat universa botsten. Wat er dan gebeurt weten we ook niet.

Nog een andere spannende benadering die mijn fantasie danig prikkelt is de mogelijkheid van een universum binnen een ander universum. Is een fetus in fetu mogelijk in ons heelal en zouden we dat kunnen meten of merken? Immers dit mogelijke heelal binnen ons eigen heelal kan kenmerken hebben die wij niet begrijpen of kunnen waarnemen…

Toch proberen wetenschappers op kwantumniveau, dat is het allerkleinste niveau waar we nu mee kunnen werken, naar sporen te zoeken van een botsing met een ander universum of mogelijk een universum in ons eigen universum. Inmiddels heeft men door de achtergrondruis van onze oerknal enorm uit te vergroten een koele plek gevonden die men niet kan verklaren. De achtergrondruis heeft namelijk over het hele heelal dezelfde temperatuur, maar hier, op dat ene plekje is iets aan de hand. Sommigen menen dat het een botsing met een ander universum aanduidt, maar voor hetzelfde geld ontstaat hier een compleet nieuw universum binnen het onze. Een universum met wetten en constanten die wij niet begrijpen of kunnen waarnemen.

Wat we in ieder geval zeker weten is dat onze oerknal precies goed was. Precies op het juiste moment, met de perfecte temperatuur en de ideale snelheid. Al deze parameters tezamen hebben ervoor gezorgd dat dit universum is ontstaan en dat de aarde gevormd is zoals hij gevormd is. Dat de elementen, proteïnen en eiwitten precies goed zijn om al het leven om ons heen te kunnen vormen. Deze ene kwantumfluctuatie die specifiek deze kwantumsprong veroorzaakte die de inflatie veroorzaakte die leidde tot onze oerknal is de reden dat ik hier nu achter mijn scherm mijn verhaal kan schrijven. Dus ja het kan. En als het een keer kan is er geen reden om te denken dat het niet nog een keer kan en nog een en nog een….

Allemaal anders, sommige universa duren lang andere misschien heel kort. Maar ze zijn er, andere universa. Het multiversum bestaat, hoe abstract dit ook lijkt. Het is er gewoon. Als het kan, dan moet het begrijp ik nu.

© 2019 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑