Pagina 12 van 14

Ruimtepuin

ruimtepuinEen halve eeuw geleden konden de satellieten die wij als mensen in een baan om de aarde hebben gebracht nog zorgeloos rondjes draaien. Maar dat tijdperk is verleden tijd. Behalve nuttige satellieten en ruimtestations wemelt het inmiddels ook van het ruimtepuin. Rommel dat wij daarboven hebben achtergelaten en dat het inmiddels niet meer vanzelfsprekend maakt dat satellieten en ruimtestations ongehinderd hun rondjes kunnen draaien.

Volgens NASA tuimelen er momenteel 21.000 stukken ruimtepuin groter dan 10 cm rond onze aarde. Het afval vliegt (valt eigenlijk) met gemiddeld zo een 8 km p/sec, oftewel 28.800 km p/u om ons heen. Met deze snelheden kan zelfs een stukje puin met de afmeting van een rijstkorrel serieuze schade aanrichten.

Dat het niet altijd goed gaat blijkt wel. In 2009 botste voor het eerst twee satellieten op elkaar. Hoewel een van deze twee een kapotte Russische communicatie satelliet betrof werd er ook een werkende satelliet van het Amerikaanse bedrijf Iridium Satelite vernietigd. Naast het feit dat er een satelliet stuk ging veroorzaakte de botsing ook nog meer ruimtepuin.

Al deze rommel kan uiteindelijk voor problemen zorgen. Wat dreigt is het syndroom van Kessler, vernoemd naar de NASA onderzoeker Donald Kessler die al in 1978 met de hypothese kwam dat er mogelijk een kettingreactie kan ontstaan. Botsend ruimtepuin leidt tot nieuwe brokstukken, die vervolgens ook weer met elkaar botsen, totdat het puin zo alom aanwezig is dat het onze satellieten bestookt en de ruimte ontoegankelijk voor ons wordt.
Het opruimen van dit puin is op dit moment onmogelijk. Wel zijn er afspraken gemaakt zodat het meeste puin in de zogeheten kerkhofbaan om de aarde wordt gebracht. Maar dan nog, wanneer delen botsen kunnen ze uit koers raken en een eigen leven gaan leiden. We moeten naar mijn mening dan ook niet alleen maar zuinig zijn op die prachtige blauwe knikker waar we op leven, maar ook op de ruimte eromheen.

Wanneer NASA testvluchten doet nemen ze vaak een blok beton of metaal mee de ruimte in om te zien of het plaatsen van een nieuwe satelliet of iets dergelijks lukt. Dat stuk ruimtepuin blijft daar dan rondzwerven en niemand bekommerd zich er verder nog over…

Ik begrijp dat er zaken getest moeten worden en dat dit wellicht de beste manier is die we op dit moment hebben. Maar NASA is niet alleen. Naast dat er bijvoorbeeld ook een Europees, Russisch en Chinees ruimtevaart programma is, beginnen commerciële bedrijven ook brood te zien in het universum. Zo richtte Richard Brandson Virgin Galactic op en Elon Musk kwam met SpaceX. Ruimte programma’s ontwikkeld voor commerciële doeleinden in de toekomst.

Gezien de voortgang van onze technologie waarschijnlijk een logisch gevolg.
Maar toch zit er al een paar maanden iets in mijn hoofd. De commerciële ruimte uitspatting van Elon Musk. Bij een testvlucht ergens in februari van dit jaar besloot Elon in plaats van een blok beton een van zijn bolides, voorzien van een dummy in astronautenpak, de ruimte in te jagen. Het doel van de testvlucht: onderzoeken of het mogelijk is raketten na hun vlucht ook weer te laten landen op aarde. Het blok beton, bedoeld om te zien of een plaatsing van het een of ander in de ruimte mogelijk is, vervangen door een knalrode Tesla heeft dit bedrijf flink wat media aandacht opgeleverd. Commercieel gezien slim.

Het onderzoek van SpaceX vind ik goed.
Onderzoeken hoe je raketten die je de ruimte injaagt weer heelhuids op aarde krijgt, lijkt mij zinnig. Als dat lukt blijft een hoop minder rommel achter en met het oog op commerciële vluchten is dit ook een noodzakelijke ontwikkeling. De meeste vakantiegangers willen na een tijdje toch weer gewoon naar huis.

Maar waarom het nodig is een spiksplinternieuwe duurzame auto, voorzien van testdummie chauffeur in ruimtepak en een radio die Space oddity van Bowie draait, de ruimte in te sturen om hem daar vervolgens achter te laten voor de eeuwigheid is mij een raadsel.

Elon Musk gaf zelf aan dat hij het leuker vond om deze sportwagen de ruimte in te schieten dan een simpel blok beton. Maar als we bij wijze van reclame stunt allerlei vreemde objecten de ruimte in gaan jagen, wordt het er dan uiteindelijk niet veel te druk? En is de heer Musk niet eigenlijk heel begaan met de wereld om ons heen? Of beperkt die bevlogenheid voor een betere wereld zich toch tot de bankrekening van Elon?

Ik kan me moeilijk voorstellen dat hij niet heeft nagedacht over het feit dat anderen na deze stunt niet achter willen blijven. Wat is de volgende stap? Wat gaat Virgin Galactic de ruimte in sturen? En dan zijn er nog giganten die verder niks met ruimtevaart te maken hebben maar wel altijd in zijn voor een goede stunt. Ik denk aan Coca Cola, Mc Donalds, Nike en nog wat van die dwarsstraten. Mogen zij nu allemaal zonder blikken of blozen hun spullen de ruimte injagen bij wijze van test? Gaan zij NASA nu betalen om in plaats van een blok beton hun spullen mee te nemen? Wellicht dat er over een aantal jaren een grote gele lichtgevende M prijkt aan de sterrenhemel. Ik moet er persoonlijk niet aan denken.

En dan is er nog iets… die radio. De radio in de rode Tesla speelt Space oddity,een toepasselijk gekozen nummer. Of het je smaak is laat ik verder in het midden. Maar… in de ruimte bestaat toch helemaal geen geluid? Geluidsgolven kunnen zich alleen maar voortplanten als er ook een medium is. En gezien de ruimte een vacuüm betreft is hier geen medium die de geluidsgolven draagt, dus is het er stil.

Behalve dat ik het onverstandig vind om een commerciële boodschap de ruimte in te sturen, er vliegt immers al zoveel rotzooi rond, krijg ik zo ook nog het idee dat we een beetje in de maling genomen worden.
Ik had ook denk ik meer verbazing verwacht bij al die serieuze journalisten die dit heugelijke feit ter tafel hebben gebracht. Vraagt dan echt niemand zich af wie het universum beheert? Wie bepaalt wat er omhoog geschoten mag worden en wat niet? Zijn er überhaupt regels voor en als ze er niet zijn, wordt het dan niet eens tijd dat we daarover na gaan denken?

Commerciële ruimtevaart komt steeds dichter bij. Dan hebben we regels nodig. Want ja, als Elon het mag, dan mag Richard het ook en met hem nog heel veel anderen.
We leven in een bijzondere tijd. Er gebeurt zoveel om ons heen. Technologieën gaan met gigantische sprongen vooruit en we weten steeds beter hoe de wereld en alles daarbuiten in elkaar zit. Ik hoop dat onze drang naar kennis ons niet doet vergeten dat we zuinig moeten zijn op de wereld waarin we leven en al dat zich daarbuiten begeeft.

De gevoelige plaat V ‘Oogsten om te zaaien’

oogsten om te zaaien: lege zaadlob van daslook

Het is ergens in het late voorjaar. Ik heb het al geroken en ook gegeten. En hoewel mijn voeten niet willen is de drang onweerstaanbaar. Ik moet er nog even gaan kijken, misschien enkele zaden oogsten. Dus parkeer ik mijn auto zo dicht mogelijk bij de bosrand en leg de laatste meters dan toch maar met mijn niet altijd meewerkende voeten af…

Het staat er nog. Zo ver ik kijken en ruiken kan. Hoewel al grotendeels uitgebloeid, laat de onmiskenbare geur mij meteen weten dat ze er weer staan. Met zijn allen, als een tapijt van groen, uitgerold over de bodem van dit bos.

Lang heeft deze plant op de rode lijst gestaan. Maar hier heb ik dat nooit begrepen. Het heeft hier altijd zeer royaal gegroeid en geeft op plekken andere voorjaarsbloeiers helemaal geen kans. Er een beetje van lenen heb ik dan ook jarenlang gedaan met het risico op een bekeuring. Sinds januari 2017 hoef ik echter niet meer over mijn schouder te kijken.

Nadat ik de voor mij astronomische afstand van mijn auto naar de bosrand afgelegd heb, ga ik even zitten op het bankje dat daar staat. Ik kijk er een tijdje naar de vogels die ik nu nog goed kan zien omdat het loof nog niet volop aan de bomen zit. Ik zie een specht hoog tegen een boom tikken, waarschijnlijk op zoek naar een lekkernij. Er zoeven een paar gaaien tussen de bomen door. Boomklevertjes komen hier ook veel voor. Bijzonder om te zien hoe zo een klein vogeltje gewoon verticaal tegen de boomstam ophupst. En mezen, heel veel mezen. Staartmezen zijn mijn favoriet. Het zijn echt de acrobaten onder de mezen. Kleine mollige, grijze vogeltjes, met lange staartveren buitelen en tuimelen over de allerkleinste takjes. Ik kan echt uren slijten op dit bankje aan de rand van het bos.

Soms heb ik geluk en zie ik een hert of een vos. En met heel veel mazzel ook nog wel eens een das. Om op die laatste terug te komen. De plant, die ik zo lief heb, dankt zijn Nederlandse naam aan deze duchtige rover. Men gaat ervan uit dat dit komt omdat dassen hun burcht graag in de buurt van dit plantje bouwen.

Ik heb mijn voeten inmiddels weer wat rust gegund en besluit om even van het pad te wijken en te kijken of ik voorzichtig nog wat van deze plant oogsten kan. Dat blijkt. Hoewel uitgebloeid, en daardoor iets minder sterk van smaak, staat er nog voldoende en zal niemand een handje missen.

Ik zie dat er ook al flink wat bloemen zaad gevormd hebben en besluit om behalve een paar blaadjes ook een paar bloemstelen te plukken zodat ik daar thuis het zaad van oogsten kan. Immers wanneer het me lukt om in mijn eigen tuin voldoende te verbouwen dan hoef ik het bos helemaal niet meer lastig te vallen met mijn honger naar dit kruid.

Op de terugweg richting auto, kom ik de boswachter tegen in zijn Jeep. En hoewel ik niks gedaan heb dat niet mag  flitst er toch even door mijn hoofd dat het prettig is dat hij de enorme lookgeur, die door het plukken en meenemen van mijn oogst rond mij hangt, niet in zijn afgesloten Jeep kan ruiken. Eenmaal thuisgekomen scheid ik de bladeren van de bloemstelen. De bloemstelen zet ik in een glas, dat ik voorzie van water, en de bladeren ga ik wassen.

Eenmaal gewassen snij ik de bladeren grof en verdeel ik ze in twee porties. Een voor acuut gebruik en de andere vries ik in voor later. Het is de laatste oogst dit jaar en op deze manier kan ik er nog wat langer van genieten. De bloemstelen zet ik buiten, zodat de zaden daar nog kunnen rijpen. De voorjaarssoep smaakt prima en verdwijnt evenzo snel in onze magen als dat ik hem maken kon.

Een paar dagen later zie ik dat de zaadlobben aan de uiteinden van de bloemstelen, daar waar ooit de bloemen zaten, open gaan. Het zaad is rijp en kan geoogst worden. Ik neem een klein potje een haal voorzichtig de zaden uit hun verpakking. De zaden stop ik in het potje en de lege steeltjes laat ik gewoon op de tuintafel vallen.

Eenmaal klaar met mijn klus begin ik alles op te ruimen en valt mijn oog ineens op de prachtige vormen die er achtergebleven zijn. Ik ken de bloem en ook het blad door en door.
In eerste instantie lijkt het wat weg te hebben van een klaverblad. Maar als ik goed kijk zie ik drie prachtig gevormde harten. Ik zie dit niet bij toevallig een lege zaadhuls, ze hebben het allemaal! Zo mooi vormgegeven en nooit eerder is me dit opgevallen! Ik besluit mijn camera te nemen en dit kleine cadeautje vast te leggen.

Ik oogstte de zaden van daslook. Een plant die ik al mijn hele leven ken. Ik oogstte om te zaaien en werd verrast door wat er achterbleef. Soms, als je denkt dat je er alles uitgehaald hebt, blijkt er toch nog iets moois te resten…

Planten poepen niet

Planten poepen niet. Kersenbloesem in de weiOnder de noemer vreemde gesprekken die tot denken zetten is dit er wel een.
De aanleiding van het gesprek kan ik me even niet meer voor de geest halen, het is namelijk al een tijdje geleden, maar op enig moment drukt Paul zijn verwondering uit over het feit dat alles wat leeft poept.
Die ik dan weer meteen inkop met de klinkende woorden ‘planten poepen niet’.

We maken er over en weer nog wat grappen over en dan verdwijnt het onderwerp weer. Toch laat het me niet helemaal los. Planten poepen niet…. Planten zijn levende wezens. Ze groeien, bloeien, planten zich voort en gaan uiteindelijk ook weer dood. Toch verschillen ze wezenlijk in structuur van ons. Ze hebben een compleet andere stofwisseling, ietwat andere manier van voorplanten en hun uiterlijk kent kenmerken die ons compleet vreemd zijn.

Zover wij weten hebben ze geen hersenen of ander rudimentair zenuwstelsel. Toch reageren ze op allerlei impulsen. Zo veranderen ze hun stand naar gelang er licht is. Laten ze hun bladeren, of zelfs hun gehele bovengrondse verschijning vallen wanneer de winter inslaat en het te koud wordt om op volle toeren door te leven. En maken ze nieuwe bovengrondse delen aan wanneer de temperaturen weer stijgen. Ze hebben een ongelofelijk herstelvermogen wanneer ze gewond raken. Zo kunnen we van een appelboom gewoon een paar takken afnemen die ons niet aanstaan en, wanneer we dat op de juiste manier doen, van deze afgesneden takken zelfs nieuwe planten maken door middel van stekken. De boom zelf zal er weinig last van hebben en groeit gewoon verder.
Dit komt zo leer ik, omdat plantencellen iets anders werken dan dierlijke. Zo zijn de voor ons zo begeerde stamcellen voor planten de normaalste zaak van de wereld. En zelfs hun troef wanneer het aankomt op hun grote herstelvermogen.

Wij mensen, net zoals de meeste dieren trouwens, zijn koning in het verstoppen van onze stamcellen. We beginnen ons leven, na bevruchting, als een klompje stamcellen. Deze basiscellen kunnen dan uitgroeien tot alles wat we nodig hebben om een volledig mens te worden. Zo zijn er cellen die zich specialiseren tot levercellen, anderen tot long, hart, nieren, huid enz. Wanneer we dan uiteindelijk geboren worden zijn onze stamcellen enkel nog te vinden in ons bloed en beenmerg. Waarvan de laatste nog het meest relevant is.

Wanneer we tijdens ons leven onze stamcellen nodig hebben, blijkt dat ze vaak niet zomaar beschikbaar zijn.
Verliezen we wat bloed tijdens een kleine ingreep of ongeluk, dan zijn onze stamcellen, tot op zekere hoogte, prima in staat ons te voorzien van nieuwe bloedcellen. Maar verliezen we een arm of een been, dan groeit er niet weer een nieuwe versie voor in de plaats.

Planten kunnen dit wel. Hun stamcellen zitten dan ook niet verstopt in hun geheimzinnige binnenste maar komen gewoon aan het oppervlak voor. Zo kunnen ze uit verschillende punten wortels laten groeien en zich vernieuwen wanneer er iets afbreekt. Wanneer ik dieper kijk in hoe deze wonderlijke wezens werken zie ik dat er een verschil is in celfunctie tussen planten en dieren waardoor dit proces mogelijk is.

Alle levende wezens bestaan uit DNA. En nog wonderlijker, er bestaat maar 1 soort DNA. Dit betekent dat, wanneer je dit ver genoeg zou doorvoeren, alles en iedereen familie van elkaar is…. Hoe dan ook, DNA is een complex langgerekt molecuul waarin op een chemische manier een code is opgeslagen. DNA is de manier van alle levende cellen om informatie te bewaren. Deze informatie wordt vervolgens vertaald in een soortgelijk molecuul dat we RNA noemen. En de informatie uit dit RNA wordt vervolgens overgedragen aan eiwitten. Deze eiwitten zijn in staat om van alles te doen in een cel. Ze kunnen zorgen voor transport van bepaalde stoffen of gegevens, voeren chemische reacties uit of maken bouwstoffen die nodig zijn voor het onderhoud van de desbetreffende cel. In eerste oogopslag lijkt deze communicatie wat eenzijdig, maar niets blijkt minder waar!

Want, op celniveau is er geen eenvoudig oorzaak en gevolg. Alle delen communiceren met elkaar en alle onderdelen zijn even belangrijk. DNA communiceert met RNA, maar RNA evengoed met DNA. DNA kan ook rechtstreeks met de eiwitten of de zo belangrijke transcriptiefactoren (dit zijn hele bijzondere eiwitten) communiceren en vise versa. En zo communiceren ook het RNA, de eiwitten en de transcriptiefactoren constant over en weer met elkaar. Niet dat ze echt iets te zeggen hebben. Maar reacties van de een lokken reacties uit bij de ander en zo ontstaat een proces dat we feedback noemen en voortgaat totdat het door een ander proces gestopt wordt.

Tot zover gaat dit bij alle levende wezens zo. Echter planten hebben nog een extra trucje. En dat trucje heet auxine. Auxine stuurt in planten het groeiproces op een bijzondere wijze. Het zorgt ervoor dat planten kunnen groeien. Maar daar waar auxine de groei bepaalt, kan het ook bepalen of een bepaald deel van de plant uitgroeit tot wortel, steel, bloem of blad. Dit is een heel bijzondere eigenschap die we nog niet goed begrijpen.

Daarnaast bevinden stamcellen bij planten zich niet, zoals bij dieren, in een diep verborgen beenmergstelsel, maar juist aan het oppervlak. Planten groeien dus letterlijk vanuit hun uiteinden en kunnen zich, doordat er zich aan die uiteinden stamcellen bevinden, al groeiende aanpassen aan hun gefixeerde omgeving.

Deze bijzondere eigenschap maakt bijvoorbeeld stekken mogelijk. De stamcellen die zich in de cambiumlaag van de stek bevinden kunnen uitgroeien tot wat er nodig is op dat moment. Wanneer het moment zegt dat ze met de voeten in de aarde staan, worden het wortels.

De stofwisseling van de plant bestaat uit het opnemen van water met de daarin opgeloste mineralen uit de bodem en het opnemen van koolstofdioxide, een kleine hoeveelheid zuurstof en zonlicht via hun bladeren uit de lucht. Door middel van het opnemen van deze stoffen kan de plant de voor hem belangrijke bouwstoffen, brandstoffen en vitamines maken. Maar de plant maakt meer stoffen aan dan het werkelijk nodig heeft. Net als wij produceert het afvalstoffen die de plant dan weer moet lozen.

Het teveel aan water verliest de plant door verdamping van vocht vanuit het blad. Maar de plant maakt ook zuurstof aan, waarvan het zelf maar een klein deel nodig heeft. De rest geeft het, samen met een klein beetje koolstofdioxide, terug aan de lucht.

Dus lieve Paul, planten zijn bijzondere wezens. Planten ervaren de wereld op een compleet andere wijze dan wij en toch voegen ook zij zich naar wat hen gegeven is. Ze hebben geen ogen, maar ervaren wel het licht dat zo belangrijk voor hen is. Ze hebben geen mond maar kennen wel dorst.  En ze hebben geen zenuwstelstel, of iets dergelijks dat wij als zodanig herkennen, maar ervaren toch te warm of te koud. Er is nog zoveel dat wij niet begrijpen, misschien wel nooit zullen ook. Zoveel om over te wonderen en te dromen. Maar planten… die poepen niet.

De gevoelige plaat IV ‘Donsje’

Donsje. Woerd aan de waterkant in de zon.

Het was op een zondag ochtend en ik moet een jaar of vijf geweest zijn.
Het was mooi weer en mijn moeder en ik waren beneden, nog in pyjama, een beetje aan het rommelen zoals het op een slome zondagochtend hoort.

Mijn vader is een ander verhaal. Die is altijd vroeg uit de veren en druk aan de slag om van alles en nog wat te doen. Deze zondag besloot hij naar de vogeltjesmarkt te gaan, ergens in België, ik denk Luik, maar het kan ook Mol geweest zijn.

In ieder geval, hij was vroeg vertrokken en had ons lekker thuis gelaten.
Op de vogeltjesmarkt kon je van alles kopen. Niet alleen vogels, maar ook konijnen, hamsters, cavia’s, honden, katten, geiten, schapen en noem maar op. Beetje bedenkelijk wanneer het om dierenwelzijn gaat. Maar goed, het mocht en dus ging mijn vader er een kijkje nemen.

Ergens laat in de ochtend kwam hij thuis met een klein langwerpig doosje, met wat gaten erin.
‘Ik heb iets voor je meegebracht’ zei hij en gaf het langwerpige doosje aan mij.
Ik voelde meteen dat er iets in het doosje leefde. Het zwaartepunt rammelde van links naar rechts terwijl ik het doosje stil in mijn handen hield.
Dit vond ik wel erg spannend. Wat zou er inzitten? Kan het bijten? Ik had geen idee.

Samen met mijn vader en moeder zette we het doosje op de grond en maakte het aan een zijde open.
Heel voorzichtig kwam er een snaveltje naar buiten, dat al snel volgde door een klein geel kuikentje. Eenmaal helemaal uit het doosje, en dus in onze woonkamer, begon het kleine wezentje wat rond te scharrelen, waarschijnlijk gewoon op zoek naar voedsel en een plekje om te wonen.

Ik was enigszins verbaasd, maar vond het ook wel grappig zo een kuikentje. Meteen moest ik denken aan het kleine boekje dat ik altijd zo graag ‘las’. Ik kon natuurlijk nog niet lezen, maar ik bladerde er vaak door en mijn moeder las het zo nu en dan aan mij voor. Kortom, ik kende het verhaal van Donsje goed en vond dit dan ook meteen een geschikte naam voor mijn nieuwe kameraadje.

Of mijn moeder echt heel erg gecharmeerd was van de spontane actie van mijn vader weet ik niet. Maar al snel rees de vraag waar Donsje dan moest verblijven. Een eend hou je niet in de woonkamer. Die moet kunnen fladderen en badderen en daar is een woonkamer geen geschikte plek voor.

Gelukkig had mijn vader daar al over nagedacht en Donsjes nieuwe woonplaats zou buiten tussen de kippen zijn.
Hij wende snel en groeide goed. Ondanks het gebrek aan een vijver of iets dergelijks leek Donsje het goed naar zijn zin te hebben tussen al die kakelende kippen. Langzaam aan verloor Donsje zijn gele vachtje en begon er wat rommelig uit te zien. Eerst werd Donsje bruin, zoals zijn moeder. Maar op een gegeven moment begon hij wat te kleuren. Eerst zijn kop, daarna de rest.

Donsje was een woerd, oftewel een mannetjes eend. Hij scharrelde vrolijk rond en ik had plezier in mijn wat buitengewone huisdier. Verder geen verstand van eenden lieten we hem maar een beetje zijn.

Ik kan me zo voorstellen dat Donsje zelf ook niet helemaal zeker was van zijn genetische afkomst. Immers al wat hij om zich heen zag waren kippen. Hij scharrelde er een hele dag tussen, sliep met hun en at wat zij aten.

Donsje groeide goed en werd een ware Dons….

Maar Donsje bleef groeien zonder dat we daar zelf erg in hadden. Tot we op een dag opmerkte dat Donsje niet meer liep. Hij zat daar maar een beetje, tussen de kippen, maar verplaatsen deed hij zichzelf niet meer. We tilde Donsje op, maar zagen niets aan zijn poten. Ook toonden hij geen tekenen van pijn of ongemak. Maar hij zat en bleef zitten.

Het even aangekeken te hebben, besloten mijn ouders toch even een dierenarts te raadplegen. Je koopt een levend wezen en daarmee ook de verantwoordelijkheid er goed voor te zorgen. Met alle goede bedoelingen dachten we dat ook te doen, maar toch was er iets mis met mijn vriend.

‘Wat is er met ons Donsje?’ vroegen wij ons af. Is hij ziek?
Eenmaal in de behandelkamer aangekomen, glimlachte de dierenarts al snel. Hij wist wel wat er aan de hand was. Donsje was te dik. We hadden hem te goed gevoerd. Hij had inderdaad geen pijn en ook geen enge ziekte. Maar Donsje moest op dieet. Hij was zo groot gegroeid dat zijn pootjes hem niet meer dragen konden.

Het recept van de dokter was dan ook Donsje niet naast de voerbak te zetten. En warempel, na een paar dagen liep hij weer.

Ik kan me niet precies herinneren hoe lang we Donsje daarna nog gehad hebben, maar wanneer ik ergens een woerd zie zwemmen moet ik altijd aan die grappige te dikke eend in ons kippenhok denken…

Kriebelende kruipers

kriebelende kruipers, de zweefvlieg.

Kleine beestjes. Insecten, geleedpotigen, weekdieren. Ze hebben altijd mijn interesse gehad.

Ik kan lang aan de rand van een perk zitten, kijkend naar de ijverige bedrijvigheid die zich daar, op het eerste oog vaak onzichtbaar, voordoet. Ik zie mieren, bijen, wormen, kevers allemaal door elkaar levend en allemaal druk met hun eigen ding.

Insecten zijn zo anders dan wij en soms toch ook verrassend gelijk. Bijzonder aan deze dieren is dat ze hun harde beschermende structuur aan de buitenkant hebben, waar wij deze van binnen bezitten. Wanneer een kleine kever een misstap maakt en hij 30 cm naar beneden tuimelt loopt hij gewoon verder. Wonderlijk wanneer je bedenkt dat voor dit beestje van zo een 5 millimeter dit een astronomische afstand is. Zouden wij in verhouding ergens vanaf donderen, dan moeten we 1200 meter vallen om daarna weer rustig door te lopen. Zonder adequate hulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld een parachute, een onbegonnen onderneming. Hun harde schil geeft hen dus superkrachten.

En insecten kunnen nog iets. Transformeren. Ze beginnen hun leven als ei. Vanuit het ei wordt een larve of nimf geboren, die zich daarna volvreet met van alles en nog wat, waarbij ze steeds een velletje afschud wanneer het voorgaande jasje te klein geworden is. Wanneer ze groot genoeg is verpakt ze zichzelf in een nieuwe schil, die we pop noemen. Ze kan nu niet meer bewegen, weglopen of vliegen en levert zichzelf dus over aan het geluk.

Is het geluk met deze kleine cocon, dan overleeft hij een paar dagen op deze manier en ondergaat ondertussen, onzichtbaar voor de buitenstaander, een enorme transformatie. Als hij daar helemaal mee klaar is, blijkt ook deze laatste onwrikbare schil te klein geworden en barst deze open waardoor het volwassen insect (imago) te voorschijn komt. Het meest tot de verbeelding sprekend is natuurlijk de vlinder, die zich ontpopt van de veelvraat rups tot de sierlijke nectar slurpende fladderende vlinder.

Maar niet alleen de vlinder ontpopt zich. De meeste kevers starten hun leven als larve. Vaak levend van dood hout of ergens diep in de aarde kruipend op zoek naar voedsel. Libelles en waterjuffers beginnen hun leven zelfs als nimf onder water! Ze jagen daar op kleine onderwaterbeestjes en kunnen in je vijver zelfs de pasgeboren vissen opeten. Zij gaan dus van water naar land en lucht. Een waanzinnige verandering!

Als we op zoek gaan naar ‘alien’ leven, oftewel leven dat ons vreemd is, moeten we misschien niet naar boven kijken, maar juist naar beneden. En ze zijn met veel, heel veel! Inmiddels zijn er zo een 750.000 soorten beschreven. Ervan uitgaande dat een soort uit veel meer dan 1 bestaat kun je wel bedenken dat er een onbeschrijfelijk aantal kleine beestjes op deze planeet rondlopen. Want we hebben het nu alleen over insecten. Spinnen zijn geen insecten en ook duizendpoten horen niet tot deze groep. Zij mogen zich bij de geleedpotigen scharen. Pissebedden horen bij de familie van de kreeft, dus ook geen insect. En slakken zijn weekdieren. Allemaal kruipende kleine beestjes die we niet mogen optellen bij deze 750.000 soorten.

Sommige soorten leven solitair maar anderen leven in enorme groepen. Mieren kennen complete samenlevingen van ergens tussen de 800 en 1.000.000 mieren, afhankelijk van de soort en de leeftijd van een kolonie.
Oh ja, nog een misverstand dat ik meteen de kop in kan drukken. Insecten kunnen best een tijdje leven. Sommigen leven langer als nimf dan als volwassen dier (imago). Maar een mier kan bijvoorbeeld wel 20 jaar worden, afhankelijk van de soort en van het type mier (dus of het een werkster, koningin of mannetje betreft). De oudst bekende mier was een mierenkoningin van de soort wegmier, die wel 28,7 jaar oud werd! Menig hond of kat zou daar jaloers op worden.

Insecten zijn, wat mij betreft, ook bijzonder intelligent. Ze hebben hersenen, maar die zitten anders in elkaar dan de onze. We weten er ook eigenlijk te weinig van om ze te kunnen begrijpen. Maar waar we wel naar kunnen kijken is hun gedrag. Zo zijn er bijvoorbeeld al vele studies gemaakt over het gedrag van de honingbij. Een zeer sociaal dier dat in enorme kolonies leeft. Om de winter te overleven moet de kolonie bestaan uit zo een tienduizend werksters en een koningin. Maar in de zomer kan een kolonie zich makkelijk uitbreiden tot 80.000 bijen! Deze dieren leven allemaal samen in een kast, holte of spleet. Hebben allemaal een duidelijke taak en zorgen er zo samen voor dat de kolonie kan voortbestaan, de winter weer aankan en natuurlijk genen doorgeeft. Het zijn intelligente dieren die elkaar middels een dans zelfs kunnen laten weten waar zich op dat moment voedsel bevind. De honingbij werkt natuurlijk niet zo hard om ons van een lekker potje zoet te voorzien. Maar legt met dit harde werken een voorraadje aan voor de koude wintermaanden.

Hetgeen me nog het meest bevalt aan deze nuftige creaturen is hun uiterlijk. Wat een diversiteit en wat een schoonheid. Sommige glanzen als edelstenen en anderen zijn harig als een beer. Hun vleugels kleurrijk als de mooiste regenboog of transparant en fragiel als glas in lood. En dan die ogen! Vaak enorme kijkers die bestaan uit enkele tientallen tot tienduizenden kleine facetten die elk goed zijn voor 1 pixel in het gezichtsvermogen van het insect. Daarnaast hebben veel insecten nog ocelli, lichtgevoelige cellen aan de bovenkant van hun kop waarvan het doel nog niet helemaal duidelijk is. Nu denkt men veelal dat deze, vaak in drievoud voorkomende visuele punten bovenop de kop, dienen om licht en donker van elkaar te scheiden. Waardoor een snelle vluchtrespons op kan treden wanneer gevaar nadert.

Kijken wordt bij mij in ieder geval al snel overgenomen door fotograferen. Iets dat in de praktijk nog niet altijd meevalt. Deze kleine wezens zijn bijzonder vlug. Om ze goed voor de lens te krijgen loont het vaak om er ’s ochtends of ’s avonds op uit te gaan, wanneer de lucht relatief koel is en de insecten daardoor nog rustig. Insecten zijn namelijk koudbloedig en moeten, willen ze actief worden, opwarmen in bijvoorbeeld de zon.

Insecten zijn behalve mooi ook heel nuttig. Het zijn de bestuivers en opruimers van de natuur en we moeten er, vind ik, heel zuinig op zijn. Er zijn delen in China waar men door het gebruik van pesticiden onder andere de honingbij onbedoeld zo goed als uitgeroeid heeft. Bij gebrek aan bestuivers moeten mensen uren op het land werken om bloesems handmatig te bestuiven. Er bestaat hierdoor een levendige markt in stuifmeel. Ondanks deze inspanningen lukt het ons niet de gewassen zo goed te bestuiven als onze kleine vrienden dat doen. Mocht dit op wereldschaal gebeuren dan zullen er onwaarschijnlijk grote tekorten ontstaan.

Daarnaast vergiftigen we onbedoeld insecten die, voordat ze sterven aan deze vergiftiging, opgegeten worden door andere dieren, zoals vogels. Het gif hoopt zich op in het lichaam van de vogel, die hier op zijn beurt of aan bezwijkt of verzwakt waardoor hij gegeten wordt door een andere rover, die op zijn beurt een enorme hoeveelheid van dit gif binnenkrijgt door het eten van al deze verzwakte vergiftigde dieren. Indirect kunnen we dus, door het spuiten met verdelgingsmiddelen tegen onkruid of insecten, ervoor zorgen dat andere diersoorten die we wel als waardevol achten het ook moeilijk krijgen. En de vraag is in hoeverre we er zelf geen last van hebben. Wij eten over het algemeen ook dieren of producten van dieren, zoals honing, eieren of melk. Hoeveel gif zit daarin? En waar hoopt zich dat op in ons lichaam? En als we dat allemaal niet eten, hoeveel van dat gif spoelt dan onbedoeld ons grondwater in en komt uiteindelijk vrolijk uit onze kraan?

Daarom en omdat ik een bijzondere liefde koester voor deze kleine wezentjes pleit ik voor zorgvuldige omgang met deze wondertjes. Ga eens in de tuin zitten, gewoon op de grond. Bekijk een perk eens goed. Hoeveel leven kun je ontdekken? Til een steen op en zie wat zich daar allemaal beweegt. En bedenk dan of je echt zou willen dat dit leven er allemaal niet meer was….

We slaan allemaal wel eens een mug dood, niemand is heiliger dan de paus. Maar denk even goed na of het echt wel nodig is de planten en dieren die wij niet verkiezen in onze tuin plat te spuiten met allerhande gif. Want ook biologisch gif is gif. Een ieder die daar anders over denkt zou ik willen uitdagen tot het nuttigen van een glaasje van dit zogenoemde biologische (lees onschuldige) goedje. Ik ben bang dat je het niet na vertellen kunt. Deze uitdaging is dan ook puur als gedachte experiment bedoeld voor alle duidelijkheid.

‘Ja maar, ze zijn zo eng.’, hoor ik je denken…
Als je het zelf niet durft neem ik je mee. Ik neem je mee op reis door deze wondere wereld van het kleine. Door mijn fotografie en kennis over deze kleine dieren zal ik je laten zien dat ze niet eng zijn. Dat ze anders zijn en misschien onbekend, maar dat geen van allen er op uit is ons kwaad te doen. Er is nog nooit iemand opgegeten door een mug of een wesp. Horrorverhalen zijn er, maar het broodje aap gehalte is over het algemeen vrij groot.

De komende tijd zal ik regelmatig een insectensoort en hier en daar ook een geleedpotige of weekdier aanhalen om je te laten zien en ervaren hoe mooi ze zijn. Kijk mee door mijn ogen en verwonder je!

 

De gevoelige plaat III ‘Donker licht’

Donker licht. Enci aan de Maas bij avondlicht

Er is iets met de nacht, iets dat me trekt. Het licht, of de afwezigheid ervan creëren een bijzonder gevoel. Het gevoel dat er nog iets te ontdekken valt, in een wereld die ik bij daglicht zo goed ken.

Ik raak gefascineerd door de kleuren en de manier waarop het licht alles om me heen lijkt te strelen. De industriële puisten die wij ter wereld hebben gebracht veranderen in mysterieuze futurologische basissen die eruit zien of ze elk moment kunnen opstijgen om te vertrekken naar een bestemming ver buiten al dat wij kennen.

De ENCI heeft me als kind al gegrepen. Omdat ik hier in de buurt ben opgegroeid reden we er vaak langs. De fabriek loopt op haar laatste benen en ik heb de achtergrond waartegen dit industriële monster is geplaatst door de jaren heen flink zien veranderen.

De groeve is afgegraven en het mergel is op. De fabriek krijgt geen toestemming meer om het bijzondere stukje natuur dat hem omringt verder te molesteren. De politiek grijpt in en de gemeente besluit er een mooi natuurgebied van te maken waar oehoes hun nesten veilig kunnen maken en waar de mens kan genieten, recreëren.

De groeve is prachtig, zeker het bekijken waard. Het geeft behalve een bijzondere natuurbeleving ook een uniek kijkje in een ver ver verleden. Miljoenen jaren krijtafzetting uit binnenzeeën van ver voor ons bestaan hebben deze enorme bergen mergel voor ons achtergelaten. Door het afgraven zijn er heel wat fossielen aan het licht gekomen waaronder Bèr, onze eigen knuffelmosasaurus. Dat daar nu een einde aan komt is goed. We kunnen onmogelijk doorgaan met het afgraven van ons eigen heuvelland, al is het maar omdat dit de mogelijke komst van de Einsteintelescoop in onze regionen behoorlijk zou verkleinen.

En toch…. toch kan ik de beeltenis van die mysterieuze fabriek aan de andere kant van de Maas niet weerstaan. Wanneer zal hij zijn lichten doven, voor de laatste keer zijn schoorsteen roken? Nog even kan ik genieten van dit waanzinnige uitzicht. Nog even… en ik druk mijn sluiter in… voor altijd.

Homo aquarius

Mensen zijn bijzondere wezens. Ik kijk er graag naar.
De mens beschouwt zichzelf als superieur aan alle andere organismen op deze planeet, maar gedraagt zich daar zelden naar. Zo ook de homo aquarius.

Regelmatig ga ik, omdat ik ervan geniet en probeer een beetje fit te blijven, zwemmen en zweten in een wellnesscentrum bij ons in de buurt. Naast dat ik er enkele rondjes zwem en hier en daar een saunagang meepik, hang ik ook geregeld wat aan de rand van het zwembad. Rustig dobberend en een beetje rondkijkend.

Behalve dat het lichaam van de watermens er toch soms wat vreemd bij hangt in zo een zwemoutfit, valt het me op dat dit zoogdier zich significant anders gedraagt dan zijn ‘landgenoten’. Volwassen exemplaren gedragen zich verwonderlijk jeugdig en lijken daarbij niet in de gaten te hebben dat hun gedrag hun leeftijd niet meer past.

Zo zie ik geregeld volwassen vrouwelijke exemplaren die een wijdbeense handstand te water maken. Ik kan vast verklappen dat dit uitzicht verre van charmant is.

Mannelijke soortgenoten maken dan weer liever een bommetje, waarbij een serieus deel van de inhoud van het bad over de rand klotst en daarnaast ook ongewenst een aantal soortgenoten overspoeld. Van de serene rust waarvan anderen proberen te genieten lijken deze heren verder geen last te hebben.

Daarnaast zijn er exemplaren die blijkbaar zó belangrijk zijn, dat ze zelfs tijdens een ontspannen plons niet zomaar onbereikbaar kunnen zijn. Met smartphone ter hand betreden ze het zwembad. Of het de levensduur van hun apparatuur verder ten goede komt weet ik niet, maar een vreemd gezicht vind ik het wel. Ik probeer me voor te stellen welke functie zij in hun dagelijkse landleven moeten bekleden om zo onmisbaar te zijn. Waarschijnlijk dienen ze het landsbelang op een wijze die voor mij onvoorstelbaar blijft.

Ook fraai is het wanneer mannelijke en vrouwelijke exemplaren pogen samen te water te gaan. Bij sommigen van hen lijkt er sprake te zijn van een onwaarschijnlijk grote aantrekkingskracht. Deze mannetjes en vrouwtjes klonten dan samen. Met enige regelmaat komen deze in grote getale naar het water en dan doemt er een verschijnsel op dat nog het meest weg heeft van de paddentrek. De watermensen werkzaam bij dit etablissement proberen deze plakkers vanaf de kant weer los te weken, helaas zonder al te veel resultaat.

Ook wanneer de homo aquarius zich weer ter land begeeft gaat het niet altijd goed. Eenmaal in het saunagedeelte aangekomen wordt al vrij snel duidelijk dat het de bedoeling is dat de zwemkleding hier aan een haakje of in een kluisje achtergelaten wordt. Toch lijkt het erop dat er iets niet helemaal in orde is met het gezichtsvermogen van enkelen. Zij blijven vrolijk met badkleding en al rondhuppelen in een ruimte waar alle anderen dat duidelijk niet doen. Persoonlijk zou ik me erg ongemakkelijk voelen in dat stukje spandex terwijl de rest blijkbaar gemakkelijk zonder kan.

Maar er is niets dat zo effectief mijn mondhoeken doet opkrullen als enkele jongvolwassen, waarschijnlijk ietwat preutse, mannetjes die, volledig gemummificeerd door hun handdoek, de stoomruimte betreden. Door de warme stoom die deze hele ruimte vult is het er onwaarschijnlijk vochtig. Een handdoek omslaan voor het betreden van deze ruimte is dan ook compleet overbodig en zelfs erg onhandig. Waarschijnlijk hebben ze het voorbeeld gevolgd van een of andere late night soap waar alles keurig wordt toegedekt. En komen ze nu volledig afgetraind en gehuld in een roze handdoek tot op de enkels zeer zelfverzekerd deze ruimte binnen.

Oordelen over het wel en wee van mijn medemens doe ik niet. Maar ik bezie het graag van een afstandje en verwonder mij…

De gevoelige plaat II ‘De hamvraag’

Als kind kwam ik er vaak, in de bergen. Mijn ouders waren gek op wandelen en mijn moeder wilde niet vliegen. Dus gingen wij met de auto volgeladen elk jaar richting Oostenrijk. 

We strandde vaak in dezelfde omgeving maar omdat we zowat alles te voet verkende raakten we niet snel uitgekeken. Als een echte Heidi, en soms met gepaste tegenzin, bewoog ik me over smalle bergpaadjes. Door weiden vol met koeien die al bellend van het verse gras genoten en ons gezelschap niet altijd op waarde wisten te schatten.

Als we dan uiteindelijk, moe geklommen, boven bij een alm arriveerden had ik steevast een stevige lunch verdient met toch minstens een Almdudler als dorstlesser. Vaak deelden we een Brettljause, een rijkelijk gevulde plank met vleeswaren, kaas en brood uit de streek, verse boter van de mooie koeien en natuurlijk ‘Schinke’. Want daar zijn de Oostenrijkers goed in, hammetjes drogen. 

Nadat ik, jaren later, mijn man in IJsland had leren kennen, had ik de smaak te pakken en wel oren naar wat avontuurlijker reizen. Maar zoals het vaak gaat met die dingen, gaan ze anders dan verwacht. Hugo werd ziek en ons reizende leven moest zich daaraan wat aanpassen. Geen probleem, genieten doe je samen, waar je ook bent. Dat hoeft niet per se een exotische bestemming te zijn.

Dus besloten we toch ook samen maar eens richting Oostenrijk af te reizen. Na zo een tijd wel leuk om jeugdherinneringen op te halen voor mij. En Hugo is gek op kabelbanen, dus die kon daar zijn lol ook wel op. We genoten met volle teugen en lieten ons ook zeker de plaatselijke lekkernijen niet langs de neus gaan.

Op enig moment ben ik me gaan verbazen over het feit dat er in deze streken zoveel ham genuttigd werd. Je kon geen alm, restaurant, café, slagerij, supermarkt of zelfs souvenir winkel voorbij lopen of er werd ‘Schincken’ verkocht. Bij mijn weten is dit ook altijd zo geweest en is de Oostenrijker maar wat trots op de kunst van het kruiden, pekelen en drogen van dit mooie vleeswaar.

Nu zo glijdend over het landschap zie ik eigenlijk alleen maar koeien. Overal waar ik kijk, zo ver als ik kijken kan, koeien. Meestal rood of roodbont, op grote weides loslopend, de aanvoerster getooid met bel.
Maar ham, daarvoor hebben we varkens nodig. En gezien ham een van Oostenrijks trots is, zou je toch op zijn minst verwachten dat het varken dat ook is. Maar, zo is me opgevallen, in het Oostenrijkse landschap zie je geen varkens….

Waar komen dan al die hammen vandaan? Hebben ze in een geheim gangenstelsel, diep in een van de zovelen prachtige bergketens die dit land rijk is, een hoogefficiënte superintelligente zichzelf regulerende varkenshouderij verstopt? Je weet het niet… Maar hoe het ook zit, varkens zie je niet.

De laatste keer dat we afreisden naar dit land, kwamen we terecht in Grosslarl. Prachtige plek, vriendelijke mensen, koeien zo ver als je kijken kon. Maar wederom, wel ham, geen varkens.

Het geheel hield me inmiddels zo bezig dat ik er heel bewust op ging letten. Maar zelfs de kinderboerderij in de buurt van ons hotel had geen enkel varken. Ook Hugo kon geen goede zinnige verklaring bedenken waarom dit zo zou zijn. Ze zouden natuurlijk inmiddels al hun vlees kunnen importeren. Maar dan nog, waarom laat je de ham zo breed hangen als hij gewassen is en verstop je het varken zo goed als je kunt? Ik vind dat vreemd. Het werd met recht een hamvraag waar niemand echt een antwoord op had.

De laatste dag gingen we op aanraden van de eigenaresse van het hotel waar we verbleven een mooie toertocht maken door de bergen in de buurt. We kwamen bij een kleine alm, met een nog kleinere kaart. Al wat ze hadden was van eigen makelij en biologisch. Het smaakte heerlijk,… ook de ham. Maar ook zei wisten hun varkens goed te verstoppen.

Op weg naar beneden zie ik ze ineens… Stop, ik heb ze gevonden! Er liepen waarrempel drie heerlijke biggen, zomaar in een stuk gras te wroeten tussen een van de haarspeldbochten op deze berg. Ze zagen er vrolijk en gezond uit en hadden het prima naar hun zin in het heerlijke zonnetje.

Voor het eerst in mijn hele leven had ik varkens gezien in Oostenrijk. De bron van al die heerlijke ‘Schinken’ liep hier vrolijk te wroeten in het gras op deze berg. Waar ze vandaan kwamen, of waar ze naartoe gingen, geen idee. Maar ze waren er. Varkens!

Hoewel drie kleine biggetjes, struinend door het gras, een land onmogelijk kon voorzien in deze gigantische stroom ‘Schincken’, was het bewijs geleverd. 

Ze bestaan, de varkens in Oostenrijk. Een hamvraag beantwoord!

It’s a small world after all…

Goudatoom met kern en elektronenwolk.

Het is alweer een tijdje geleden dat ik hier aandacht besteedde aan de wetenschap. Misschien ben ik een beetje een nerd, maar het boeit me gewoon. Ik lees erover en ga naar lezingen, volg documentaires en vorm zo mijn eigen wereldbeeld.

Dat dit beeld verder draagt dan onze eigen wereld weten de mensen die mij goed kennen inmiddels wel. Ik kijk graag omhoog en verwonder me wat zich daar, om ons heen, allemaal manifesteert. Maar het gekke is dat ik even graag omlaag kijk en me verwonder over de kleine zaken in ons bestaan.Hoe meer ik me er in verdiep, hoe meer ik me verbaas over de gelijkenissen tussen dat allergrootste dat we kennen en het allerkleinste. Dit zet me aan het denken en ik besluit me verder te verdiepen in de deeltjesfysica.

Het eerste dat me opvalt is dat natuurwetten bij schaalverandering niet exact hetzelfde blijven. Zo blijft de vlam van een kaars, ongeacht de grootte van die kaars, altijd even groot. De schaalverandering van de kaars beïnvloed de vlam blijkbaar niet. De natuurwetten die wij hebben opgesteld gelden dus voor onze schaal. Mij lijkt dat wanneer die wetten veranderen wanneer we kijken naar het allerkleinste dat we kennen, die wetten wellicht ook weer anders zijn voor het allergrootste. Immers op de schaal van het universum zijn wij verschrikkelijk klein.

Maar wat is dat dan, het allerkleinste?
Kijkende naar de materie om ons heen weten we inmiddels dat alles is opgebouwd uit moleculen. Die op hun beurt weer zijn samengesteld uit atomen. Lang dacht men dat deze atomen de allerkleinste deeltjes waren. Het woord atoom is dan ook afgeleid van het Griekse ‘atomos’ dat ondeelbaar betekend.

Totdat Ernest Rutherforth in 1911 ontdekte dat atomen opgebouwd waren uit een negatief geladen wolk elektronen en een positief geladen kern. De kern is op zijn beurt weer opgebouwd uit protonen en neutronen. De protonen zijn positief geladen en de neutronen neutraal. De kern is tienduizend keer kleiner dan het atoom, maar heeft wel de grootste massa. Door de verschillen in lading worden kern en de elektronen wolk als twee magneten tot elkaar aangetrokken.

Deze structuur doet me sterk denken aan ons eigen zonnestelsel. De kern in het midden is de zon, met daaromheen draaiend de planeten als elektronen. Met dat verschil dat de planeten om de zon draaien in de vorm van platte schijf en dat de elektronen in een wolk, als een bol, om hun kern draaien.

Van een zonnestelsel vermoedt men dat deze structuren ontstaan door vervorming in de ruimtetijd. De zon heeft een bepaalde massa waarmee zij als het ware een kuiltje in de ruimtetijd slaat, zoals een knikker op een trampoline. De planeten die om de zon draaien gaan dus eigenlijk gewoon rechtdoor, maar door deze kromming volgen ze het pad rond de zon. De zwaartekracht maakt dat ze er niet aan kunnen ontsnappen, tenzij er ze kracht tegenkomen die sterker is dan dat. Zoals bijvoorbeeld de inslag van een enorme komeet. Verder vermoedt men dat er materie moet zijn die we niet kunnen detecteren. Zogenaamde zwarte materie. Wonderlijk genoeg bestaat 85% van het universum uit deze zwarte materie. Zo bezien weten we nog maar heel weinig. Genoeg ruimte nog om te verwonderen!

Maar goed, terug naar de wereld van het kleine…
Atomen zien er voor mij, als leek, uit als kleine zonnestelsels. Atomen zijn ook in beweging. Naar gelang de temperatuur van materie bewegen de deeltjes langzamer of sneller. Wanneer bij dit bewegen de atomen tegen elkaar botsen komen er fotonen vrij. Fotonen zijn kleine pakketjes energie in de vorm van licht. Hoe heftiger de atomen botsen, hoe meer fotonen er vrijkomen. De  manier waarop deze fotonen bewegen maakt dat wij ze ervaren als golven. Deze lichtgolven ervaren wij als kleur.

Ik realiseer me dat wetenschappers de temperatuur van sterren hierdoor kunnen aflezen uit de kleur die ze hebben. Zo komen heel groot en heel klein steeds weer bij elkaar en dat fascineert me.

Verder hebben de elektronen binnen deze atomen een heel bijzondere eigenschap. Een elektron kan zich op meerdere plekken tegelijkertijd bevinden, maar er kunnen nooit 2 elektronen op dezelfde plek aanwezig zijn. Dat laatste noemen we het uitsluitingsprincipe van Pauli. Deze afstotende eigenschap zorgt ervoor dat wanneer je in je handen klapt deze niet in elkaar opgaan, maar tegen elkaar botsen. Een hele handige eigenschap lijkt me. Het voorkomt dat de wereld om ons heen eindigt als een grote deeltjessoep.

Over het op meerdere plekken tegelijk aanwezig zijn van een elektron kan ik lang nadenken. Hoe kan dit? Wellicht dat als het grootste, het universum, gebruik maakt van de rimpelingen in de ruimtetijd, het kleinste dat ook kan. Dat wij het op onze schaal niet, of nog niet, kunnen betekent natuurlijk niet dat het niet mogelijk is.

Deze wetenschap levert verder allerlei bijzondere mogelijkheden op. Zo is men bezig met het ontwikkelen van een quantumcomputer. Stel je een doolhof voor waar we de computer een positie in geven en de opdracht te zoeken naar de uitgang. Een gewone computer zal dan een voor een alle mogelijke wegen testen tot hij de uitgang bereikt en dus de oplossing. Reguliere computers kunnen dit al veel sneller dan mensen. Maar de quantumcomputer gaat nog een stapje verder door gebruik te maken van dezelfde methode van superpositie als de elektronen. Als we deze computer vragen om de uitgang van het doolhof te vinden test deze tegelijkertijd alle mogelijke opties en komt zo supersnel met de juiste oplossing. Met recht een supercomputer waar in eerste instantie de wetenschap en later wij zeker ons voordeel mee gaan doen. Superpositie is dus een eigenschap waar het allerkleinste groot in is.

Ik probeer me te verbeelden wat er nog meer mogelijk kan zijn wanneer we superpositie beter begrijpen en kunnen benutten. Star trek achtige beelden komen in mijn hoofd. Wie weet waar de generaties na ons heen kunnen reizen, misschien zelfs zonder zich fysiek te hoeven verplaatsen…

Naast de elektronenwolk is er ook nog de kern. Superklein en in relatie tot de wolk superzwaar. Dat doet me toch ook weer aan iets groots denken. En ik ben niet de enige. George Lemaitre benoemt in 1931 het punt van waaruit via de oerknal ons universum is ontstaan als het oeratoom. We kunnen erover discussiëren of dit klopt of niet. Maar de vergelijking lijkt me in ieder geval duidelijk.

De kern van een atoom bestaat uit positief geladen protonen en neutraal geladen elektronen. Deze protonen zijn zo dicht op elkaar gepakt dat ze door hun gelijke lading elkaar dus eigenlijk zouden moeten afstoten. Dit is vergelijkbaar met het tegen elkaar aanhouden van twee dezelfde polen van twee magneten. Toch blijven deze protonen samengepakt in de dichte kern zitten. Hoe kan dit?

De wetenschap heeft zich dat ook afgevraagd en hebben ook hierop een antwoord geformuleerd. De protonen kunnen enkel bij elkaar blijven door de sterke kracht. Het pion is het elementaire deeltje dat verantwoordelijk is voor het overbrengen van deze sterke kracht. Pionen zijn energiedeeltjes net als fotonen. Zonder pionen zou een atoomkern onmogelijk kunnen bestaan. Wanneer kosmische straling diep uit de kosmos botst met onze atmosfeer gaat dit met zoveel kracht gepaard dat de elektronen wolken niet kunnen voorkomen dat atoomkernen met elkaar in botsing komen. Wanneer dit gebeurt komen er pionen vrij. Deze zijn echter zo instabiel dat ze in een fractie van een miljoenste seconde uit elkaar vallen in muonen en neutrino’s.

Neutrino’s zijn lastig de detecteren. Dit komt omdat ze zo weinig wisselwerking hebben met materie dat ze er vrijwel ongehinderd doorheen kunnen. Ze zijn dus nagenoeg onmogelijk om te vangen. Er zou een blok lood van een lichtjaar (circa 9,5 biljoen km) dik nodig zijn om de helft van alle neutrino’s die erdoorheen gaan te stoppen. Muonen bereiken vaak wel de lagere delen van de atmosfeer en kunnen zelfs tot honderden meters onder de grond terug gevonden worden. Dat zijn dus restanten van botsingen kosmische straling en atmosfeer die we terug vinden op aarden. Hoe gaaf is dat?

Het muon is uiterst klein, maar heeft desondanks toch een massa van 200 keer de massa van een elektron. De massa van deze en andere elementaire deeltjes wordt uitgedrukt in MeV (megaelektronvolt). De massa van deze deeltjes bestaat dus uit energie. Muonen en neutrino’s behoren tot de allerkleinste deeltjes die we kennen, de quarks. We weten niet of deze quarks ook nog interne structuren kennen. Ze zijn simpelweg te klein om op dit moment nader te kunnen onderzoeken.

Wat we wel weten is dat deze quarks niet zomaar bij elkaar blijven in het pion. Er is een ander deeltje voor nodig dat we gluon noemen. Gluon komt van het Engelse glue en is zo bezien de lijm van de quarks. Ook hierin zie ik weer een overlap met het universum.

Men vermoedt het bestaan van zwarte materie onder andere door de rotatie van sterrenstelsels en melkwegstelsels. Bezien vanuit de massa van de sterren en de krachten die met hun rotatie gepaard gaan, zouden ze eigenlijk uit hun baan geslingerd moeten worden. Maar iets zorgt ervoor dat dit niet gebeurt. Dat iets noemen we zwarte materie, de lijm van het universum. Dat draaien is trouwens nog een overeenkomst. Atoomkernen, evenals elementaire deeltjes hebben allemaal spin, ze draaien dus rond, net als zonnen, planeten en melkwegstelsels.

Zoals pionen zijn opgebouwd uit quarks, zo zijn protonen en neutronen ook opgebouwd uit quarks. Het verschil tussen beiden is dat pionen uit twee quarks bestaan en protonen en neutronen uit drie.

Schematische weergave van een deeltjesbotsing bij CERN

CERN heeft onder andere in Geneve een deeltjes versneller gebouwd. Hier laat met grote hoeveelheden deeltjes met bijna de snelheid van het licht op elkaar botsen. Hierdoor raken de atoomkernen elkaar en komen de quarks vrij. Eigenaardige eigenschap van deze deeltjes is dat ook dit uit elkaar vallen niet zo gaat als je zou denken. Wanneer je een glas op de grond laat vallen gaat het stuk. Er ontstaan dan allemaal kleinere stukken glas. Theoretisch zou je die stukken dan weer kunnen verlijmen tot precies datzelfde glas. De scherven bestaan uit hetzelfde materiaal als het hele glas. Wanneer we bijvoorbeeld protonen laten botsen en ze gaan stuk, dan krijgen we geen scherven proton, zoals je zou verwachten. Maar nieuwe andere deeltjes, de quarks. Iets vergelijkbaars moet ten tijde van de oerknal ook gebeurt zijn. Zat George Lemaitre er wellicht nog niet eens zo ver naast.

In deze ultrakleine wereld draaien, botsen en tuimelen deeltjes door elkaar. Ze beïnvloeden elkaar en vervallen of smelten samen tot andere deeltjes. Er gaat niets verloren en alles lijkt energie. Hoewel slechts een tipje van de quantum sluier opgelicht ben ik geboeid geraakt door dit kleine universum en de voor mij nog steeds zichtbare overlap met zijn grote broer.

Wat is het precies waar we deel van uitmaken? En gaan we daar ooit helemaal achter komen? Ik zal me hierover blijven verwonderen en vragen blijven stellen. Genietend van deze prachtig mooie wereld waarin we leven!

De gevoelige plaat

Ik kan het me nog goed herinneren. Hij was klein, rood, met batterijen en een…. rolletje. Hoe oud ik was kan ik me niet meer zo goed voor de geest halen, een jaar of 8 denk ik, maar wel dat ik er erg blij mee was. Ondanks dat je het toestel verder niet kon instellen en alleen maar kon klikken was ik er heel content mee.

De mogelijkheid anderen letterlijk door mijn ogen naar de wereld te laten kijken had me gegrepen en ik probeerde zo goed mogelijk, met deze beperkte middelen, vast te leggen wat ik zag. Het menselijk oog is een wonderbaarlijk orgaan dat samen met de visuele cortex ervoor zorgt dat we kunnen kijken. Zien is niet alleen registreren wat zich daar buiten jou afspeelt maar ook hoe jij, of jouw hersenen, datgene interpreteert. 

Als buitenbeentje geboren had ik er wel ‘ogen’ naar om de wereld te laten zien wat ik zag. Altijd het gevoel gehad hebbende de vreemde eend in de bijt te zijn, de dromer, kon ik nu die dromen proberen te visualiseren. Met mijn knutselwerken, tekeningen en schrijfsels probeerde ik dat ook wel. Maar het realisme van het beeld dat een foto gaf sprak voor mij tot de verbeelding.

Mijn vader had een spiegelreflexcamera van Minotla. Ook analoog natuurlijk, er was in die tijd niets anders. Je kon aan van alles draaien en er andere lenzen opzetten en er zelfs filters voor zetten. Dat vond ik reuze spannend. Wat zou ik daar allemaal mee kunnen proberen?
Op enig moment kreeg ik toestemming ermee te spelen. Mijn vader liet me zien welke instellingen ik aan kon passen en wat er dan gebeurde. Ook leerde hij me een rolletje inzetten, lenzen verwisselen en filters plaatsen. Ik mocht ermee fotograferen, maar moest er wel heel voorzichtig mee zijn.

Mijn eerste project waren kerstkaarten, gezien de tijd van het jaar een prima idee. Ik zette het diascherm (ja, dat bestond toen nog) op en hing er een lap stof of deken over. Haalde alle kerstattributen die we hadden uit de kast en ging aan de slag. Ik probeerde van alles. Ik stelde de spullen zo op dat ze er samen mooi uitzagen, maakte er van afstand een foto van, maar ook van heel dichtbij. Ik gebruikte filters die alles wat mistig maakte of die er een bepaalde kleurschijn aan toevoegde. Ik schoot rolletjes vol en ging daarna vol spanning deze wegbrengen. Het was een geslaagd project. Ik heb daarna nog vele jaren kerstkaarten geschoten met het toestel van mijn vader.

Het rode toestelletje heeft ergens onderweg de geest gegeven en ik kreeg een nieuwe nog steeds op rolletjes lopende opvolger. Totdat ik ergens aan het begin van deze eeuw echt in aanraking kwam met kunst en de mogelijkheid daar een opleiding in te volgen, had ik eigenlijk nooit nagedacht over de foto’s die ik maakte. Het was mijn hobby. Ik vond het leuk om te doen, maar een spiegelreflexcamera kopen met alle toeters en bellen en me verder verdiepen in de fotografie vond ik nogal wat. Dat betekende dat ik veel geld aan mezelf moest spenderen en dat vond en vind ik een beetje lastig.

Maar op dat moment eiste de opleiding die ik wilde volgen wel een bepaalde kwaliteit van de beelden die ik leverde en moest ik toch een keuze maken. Digitaal was er al, maar heel duur en een beetje onduidelijk welke kant deze evolutie uit zou gaan. De verkoper wist me ervan te overtuigen dat artistiek gezien een analoge spiegelreflexcamera toch het ultieme was en ik kocht mijn eerste Canon, met toeters en bellen.

Niet lang daarna werd deze aangevuld met een digitale powerschot van Canon. Een snapshot die in je binnenzak paste en waardoor je overal en altijd foto’s kon maken. Je had er geen rolletjes voor nodig en kon meteen zien wat je geschoten had. Ik merkte dat ik deze camera meer en meer ging gebruiken om de simpele reden dat het gesleep met de spiegelreflex me niet altijd aanstond.
De ene powershot volgde de andere op, totdat ik op een gegeven moment aanliep tegen de grenzen van het kunnen van dit apparaat. Inmiddels waren er al voorzichtig spiegelloze reflexcamera’s op de markt gekomen. Deze leverde wel de kwaliteit van een spiegelreflex maar in een wat beschaafdere verpakking. Dat zou ik graag willen! Maar wat een geld…

Ik had geluk, een goede vriend had wat uitzoekwerk liggen en ik had op dat moment even weinig om handen. Onder het motto ‘ik heb dit nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’, startte ik het uitpluiswerk. Het was een hele klus maar mijn vriend verzekerde me ervan dat hij me dit op een of andere manier zou vergoeden. Vergoeding was voor mij op dat moment niet echt belangrijk, maar hij stond erop. Dus toen ik hoorde wat ik er aan verdiend had, heb ik hem gevraagd mij daarvan dé camera te kopen die ik zo graag hebben wilde. Een spiegelloze reflexcamera van Fuji werd het. Klein compact mèt de mogelijkheid om RAW te schieten en natuurlijk de objectieven naar wens te verwisselen.

Ok, hij past niet in mijn binnenzak, maar mijn huidige uitrusting past wel in een kleine cameratas die ik makkelijk overal mee naartoe kan nemen. Ik vind inspiratie in alles om mij heen en daag mezelf steeds weer uit mooiere en betere foto’s te maken. Het in RAW kunnen schieten van beeldmateriaal betekend wel dat ik het nabewerken moet. De beelden bevatten digitaal gezien heel veel informatie maar de kleuren zijn visueel wat vlak. Ik rommel wat met Photoshop en Lightroom trials en ik probeer verschillende open source programma’s. Digibeet als ik mezelf beschouw hou ik vast aan mijn motto en leer ik gaandeweg steeds meer bij.

Mijn berg beelden groeit gestaag en af en toe post ik er wat van op een of ander sociaal kanaal. Maar toch, het meeste blijft onbeschouwd. En dat vind ik jammer. Mijn eerste doel bij fotografie, en eigenlijk bij alles wat ik creëer, is anderen meenemen in mijn wereld. De kijker door mijn ogen laten zien hoe mooi de wereld kan zijn.

Nu zit ik hier achter mijn vers gekochte Macbook met retina scherm, helemaal blij te wezen met de beelden die ik hierop kan bewerkstelligen en niemand die het ziet. Dat moet anders en bij dezen neem ik dan ook de volgende stap. Ik ga dit platform gebruiken om mijn wereld te tonen aan een hopelijk groeiend publiek. Vanaf nu zal ik elke week een foto kiezen, vers door mij gemaakt of uit mijn archief dat ik flink aan het oppoetsen ben, en jullie aan de hand van dat beeld meenemen in mijn wereld.

De gevoelige plaat is misschien in letterlijke zin ingewisseld voor een chip, maar voor mij bestaat hij nog steeds. Het gevoel zit in de verwondering, in de schoonheid van vergankelijkheid of het buitenaardse voorkomen van de schepsels op onze planeet. Het even stilstaan bij de dingen waar we normaal geen acht op slaan.

Deze blog kan ik natuurlijk niet afsluiten zonder een eerste ‘gevoelige plaat’ aan te halen.
Ik kijk graag naar de wolken. Ze kunnen dreigend zijn, of lief. Wit, grijs, groen, bijna zwart of zelfs roze of oranje. Hoe de zon ermee speelt, ze diepte geeft.

Achter de wolken straalt de zon! En de reis gaat door en het verwonderen gaat door en vriendschap gaat door. Ik verwonder me er over en glimlach tevreden…

© 2020 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑