Pagina 11 van 14

Insecten onder de loep

Insecten onder de loep. François Lasserre en Anne de Angelis

Ik kom graag in de Dominicaner boekhandel hier in de stad. Het is een prachtig gebouw en behalve een waar walhalla voor de boekliefhebber, een fijne plek om een kopje koffie te nuttigen of wat inspiratie op te doen.

Toen ik er een tijdje geleden was besloot ik eens in de kinder- en jeugd sectie te gaan kijken. Gewoon omdat ik drie hele leuke neefjes heb en er daar zeker een van een echte boekenwurm is. En omdat ik het leuk vind om te kijken wat er tegenwoordig zo allemaal te leren en te lezen is voor het jonge grut.

Een beetje rondfladderend stuit ik op een boek over insecten. Ja, dat zijn die kleine kriebelaars waar ik een enorm zwak voor heb. ‘Insecten onder de loep’ spreekt me meteen aan. De prachtige illustratie door Anne de Angelis doen niet kinderachtig aan. En ook de teksten en de museale opzet van het boek toont zeer volwassen. Alles in begrijpelijke taal zonder daarbij kinds te oren.

Ik zit er een tijdje in te bladeren en overweeg het aan te schaffen. Dat het een kinder(of jeugd)boek is houdt me een beetje tegen. Ik kan toch moeilijk voor mezelf een kinderboek kopen. En voor de jongens weet ik het niet. Misschien is het niet wat hen aanspreekt. Ik besluit er nog even over te denken en het boek terug te zetten. Ik snuffel nog wat rond en vind toch wel het een en ander dat ik graag hebben wil en zet mijn gang voort richting kassa.

Insecten onder de loep inkijkexemplaar ReuzenHet boek laat me niet los. Wat een gave tekeningen, wat een mooie opzet. Ik probeer me te bedenken wie ik er blij mee maken kan, maar ik weet het even niet. Als ik een weekje of wat later met een vriendin in de stad ben en we besluiten onze middag af te ronden met een bakkie bij Dominicaner kan ik het niet laten om toch nog even naar het boek te gaan kijken. Het staat er niet meer. Ik zie het zo snel ook niet ergens anders staan. Het zal wel verkocht zijn. Jammer.

Thuisgekomen zoek ik het boek online op. Ik wil er nog eens in kijken om te zien of het echt zo gaaf is als dat het in mijn geheugen opgeslagen ligt. Helaas, het is wel online te koop, maar er is geen inkijkexemplaar. Wel zie ik dat Dominicaner het op voorraad heeft. Blijkbaar toch niet goed gekeken. Ik neem me voor om er nogmaals langs te gaan en te zoeken naar het boek.

Na wat gezoek en hulp van een verkoopmedewerker vind ik dan toch ‘mijn’ boek. Ik blader nog eens en denk, ‘Wat maakt het ook uit, dit is een prachtig boek!’. De auteur François Lassere legt op de eerste pagina’s uit dat de opzet van zijn boek museaal is. Dat de wezens in dit boek niet gecategoriseerd zijn op klasse, orde of familie. Nee, hij categoriseert op uiterlijke kenmerken of opmerkelijke gedragingen.

Insecten onder de loep inkijkexemplaar: Vliegend hertDe prachtige tekeningen en het korte verhaal bij elke insect spreken tot de verbeelding. Ik krijg zin om zelf weer op mijn buik door de tuin te tijgeren en te ontdekken wat voor moois daar allemaal te zien is. Ik koop dit boek gewoon voor mezelf, omdat ik het graag hebben wil, omdat ik niet kan wachten om het door te bladeren, te lezen en nog eens te lezen.

Uitgebreid verhalen over de literaire kunsten in dit boek kan ik niet. Maar wat me opvalt is dat de auteur en illustrator samen erg veel moeite stoppen in het laten zien van deze wondere wezen. Het wegnemen van mogelijke angsten voor bijvoorbeeld de hoornaar die eigenlijk een onwaarschijnlijke angsthaas is maar de naam heeft een gruwelijke killer te zijn.

Dit boek voedt op en leert waarderen en wonderen. Wat mij betreft een aanrader uit de jeugdcollectie die geen aankoopexcuus behoeft! Ik denk dat ik vanaf nu wel vaker eens door de jeugdafdeling struin op zoek naar dit soort pareltjes. Dat ik mijn eigen boeken museum op die manier best nog wat kan laten groeien.
Zoek het zelf ook zeker eens op wanneer je door de boekhandel of bibliotheek loopt en verwonder je.

 

De gevoelige plaat VIIII ‘Schone energie’

Schone energie, Windmolenpark aan de kust bij Katwijk aan Zee met voorbij varend zeiljacht.

Over ons energieverbruik is veel te doen. Ik verbaas me er regelmatig over. Het lijkt wel of we in een soort spagaat belandt zijn waarvan we niet weten hoe weer op te staan.

Aan de ene kant weten we dat onze ‘voetafdruk’ te groot is. We leven op gigantische voet en de wereld kan dit eigenlijk niet bijbenen. Earth overshoot day viel dit jaar weer vroeger dan voorgaande jaren, namelijk op 1 augustus. Op deze dag hebben we net zoveel natuurlijke grondstoffen gebruikt als de aarde kan aanmaken in een jaar. Alles wat we nu gebruiken kan onze aarde dus eigenlijk niet bijbenen. Onze voorraad is eigenlijk op…

Toch pompen we massa’s fossiele brandstoffen uit de aarde. We verzinnen zelfs uitzonderlijk ingewikkelde procedures om ook het laatste druppeltje omhoog te halen. De gevolgen zien we ook in ons eigen land. We vinden allemaal dat de schaliegaswinning in Groningen niet zo door kan gaan. Groningers leven op een dunne aardkorst met daaronder niets dan leegte. De aarde verzakt en beeft en huizen kraken en scheuren.

Aan de andere kant zijn er energiebronnen die onuitputtelijk zijn en verder niets extra’s vragen van onze planeet. We weten al eeuwen dat die bronnen er zijn, maar we gebruiken ze nauwelijks.

Sinds de Griekse oudheid weten we al dat de zon een bron van energie moet zijn. De Romeinen wisten hoe je er badhuizen mee kon verwarmen. En de Zwitser Horace-Bénédict de Saussure wist al in 1767 hoe je kon koken met de kracht van de zon. Alexandre-Edmond Becquerel ontdekte in 1839 het fotovoltaïsch effect en in 1883 kon men de eerste zonnecel produceren. Het wordt al jaren gebruikt in de ruimtevaart en toch gebruiken we het hier op aarde nog maar minimaal.

Zonnepanelen zijn duur, het wordt niet voldoende gepromoot door de overheid en eerlijk is eerlijk ik vind ze ook niet mooi. Maar we moeten iets.

Gelukkig zijn er nog andere vormen van duurzame energie. We bouwen al heel lang stuwdammen. Offeren daar soms zelfs hele dorpen voor op. Het stuwmeer is duurzaam, maar niet goed voor de lokale ecologie. Visstanden dalen en wat eerst land was wordt water. Er verandert het een en ander, maar op grote schaal blijft het stuwmeer toch duurzaam. Je kunt ze echter niet zomaar overal plaatsen, dus de opbrengst blijft in dezen toch beperkt. Ook getijde energie laat langzaam van zich horen, echter deze manier van energie opwekken is eigenlijk nog niet rendabel genoeg.

Echter we hebben nog iets en dat gebruiken we al eeuwen met succes. Wind. We hebben er heel veel van. We kunnen er schepen mee laten varen, ons graan tot meel malen of gewoon vliegeren met onze kinderen op het strand. Windmolens komen steeds meer in het zicht en dat wakkert de discussie rond hen aan. Windmolens, de moderne variant, wekken stroom op, maar maken ook lawaai. De wieken geven een regelmatig en voortdurend gesuis en zorgen daarnaast ook voor een constante visuele prikkel. Als je er vlakbij woont is het op een zonnige dag net alsof er met regelmaat iemand een wolk voor de zon schuift en weer weghaalt. Mensen vinden het vervelend eronder te wonen. En dat kan ik me goed voorstellen.

Maar er zijn veel plekken waar geen mensen wonen. Langs de autosnelweg bijvoorbeeld, of op zee. Hier worden dan ook met regelmaat windmolens gestald. Op zee kunnen zelfs hele parken aangelegd worden, zolang het de scheepsroutes niet kruist is er geen enkel probleem. Toch blijft er ook hier discussie en die discussie snap ik niet. Want, ja, ik vind ze mooi. Windmolens zijn gracieuze witte reuzen in ons landschap. Ze staan statig en stevig op hun ene been en de wieken draaien rustig hun sierlijke rondjes. Ik vind het fijn onder hen door te rijden als ik op de N11 naar mijn lieve Leiden rij. Ze staan er stoer en sterk op een plek waar niemand er last van heeft. De enorme palen dragen de witte wieken bijna subtiel. Ik vind het ontwerp prachtig.

Op zee staan ze goed.
Wanneer ik na een flinke pauze weer eens in Katwijk kom zie ik ze staan aan het einde van de horizon. Ik maak er wat foto’s van en ik zie een zeilschip dat hen op dezelfde wind passeert. De lucht kleurt vreemd wanneer de zon langzaam in de zee zakt en ik geniet van het uitzicht op deze zonnige namiddag die stilaan avond wordt.

Thuisgekomen bekijk in mijn foto’s tevreden. Wat staan ze er mooi.
Wanneer ik mijn beeldmateriaal met wat vrienden deel schiet het woord horizonvervuiling regelmatig langs mijn trommelvlies. Vervuiling? We maken toch niks vies?
Waar het op neer komt is dat we het vrije uitzicht op de Noordzee verliezen door het aanleggen van deze parken. Het uitzicht is natuurlijk nog steeds vrij, maar we kijken tegen een paar windmolens op die we blijkbaar liever niet zien.

De olietankers die ik zie wanneer ik mijn blikveld een eind naar links opschuif blijken dan weer geen enkel probleem. Die liggen er ook altijd. Ze blijven hier voor de kust hangen omdat ze in de drukbezochte haven van Rotterdam liggeld moeten betalen en het hier op open zee goedkoper is.
De enige logische verklaring die ik hiervoor bedenken kan is dat deze immense schepen, die eveneens ons vrije uitzicht belemmeren, er al tientallen jaren zo bij liggen. We zijn ze gewend en zien ze niet meer als belemmering.
De nieuwe gasten, de statige witte molens, helemaal aan het einde van ons blikveld storen ons wel omdat ze er eerst niet waren en nu voor ons gevoel het uitzicht belemmeren.

Dus bij deze gevoelige plaat pleit ik voor de windmolen. Voor dat oerhollandse idee van de wind die het werk voor ons doet. Voor de zeilboot en het graan, voor het plezier met onze kinderen. En voor de wonderschone energie die deze witte reuzen aan het einde van ons blikveld voor ons verzorgen. Ga er eens voor zitten, neem het in je op en leg me dan nog eens uit waarom je het zo lelijk vindt. Zelf denk ik dat we best van dit uitzicht kunnen leren genieten.
Het zou natuurlijk onzinnig zijn om de hele horizon vol te proppen met gevisualiseerde wind in de vorm van deze machtige machines, maar zo hier en daar kan het toch echt geen kwaad en is het niet mooier of lelijker dan de schepen die liggen te rusten voor de haven van Rotterdam.

Gevoeligheidje

Bij het opruimen van mijn iCloud bestanden kwam ik een tekstje tegen uit de beginperiode van mijn ziekte, ergens in 2014. Ik barstte van de pijn, wist niet wat er allemaal rommelde en ik was tegelijk bang en vastberaden. Wat neuropathie was, welke martelende pijnen het geeft en dat ik 100% zou worden afgekeurd voor werken wist ik ook niet.

 

Morgen zal het leven anders zijn,
een andere wending aan het leven
zal nieuwe inzichten gaan geven
Morgen voelt als gisteren met pijn.

Morgen zal nooit meer als gisteren zijn,
Hoop doet niet altijd leven
ik zal het tijd moeten geven
Morgen maakt me nietig en klein.

Morgen is het vooruitzicht eindelijk rein
de toekomst is het baken in het leven
zal mij een andere bestemming geven
Morgen met jou maakt het leven fijn.

De beker is nu eindelijk leeg,
stop nu maar het drinkgelag
en kijk wat je allemaal mag
kijk verder met het inzicht dat je kreeg.

Droog zijn de bittere tranen van de pijn,
haar vlekken zullen altijd zichtbaar zijn.
Bedek ze niet het heeft geen zin,
zie er de kracht van morgen mee in.

Andromeda

Hemelkaart Nederland augustus 2018

Ik kijk graag naar de hemel. Dat was jullie waarschijnlijk al opgevallen…
Het universum ligt in je achtertuin. Kijk op een heldere avond omhoog en je maakt een reis door de tijd. Maar ook een reis door een wetenschappelijk wonderland. Er staan zoveel fantastische verhalen in de sterren geschreven.

Voor mij is het verhaal van de Andromeda nevel bijzonder omdat het een blik werpt op de hedendaagse moderne wetenschap. Een wetenschap die nog in de kinderschoenen staat en daarnaast met zevenmijlslaarzen vooruit sjokt.

Het verhaal begint met uitzonderlijke wetenschapper, Edwin Powel Hubble.
Tot ergens in het midden van de 20ste eeuw is de wetenschap nog geen coherente wetenschap. Men doet wel al allerlei ontdekkingen maar blijft toch vaak terugkomen op religie voor het verklaren van onbegrepen zaken. Ook meende men dat het melkwegstelsel enig in zijn soort was, oneindig groot, stabiel en onveranderlijk.

Elke ster die je met het blote oog aan de hemel waar kunt nemen bevindt zich in ons melkwegstelsel. Sterren buiten ons eigen stelsel staan zo ver weg dat ze met het blote oog simpelweg niet waar te nemen zijn. Maar er zijn ook andere objecten waar te nemen aan de nachtelijke hemel. Zo zijn er een aantal nevels die we met het blote oog of simpele verrekijker kunnen herkennen.
Een van deze nevels is de Andromeda nevel, die makkelijk te vinden is vanuit de constellatie Cassiopeia. Zeker de moeite waard op een heldere avond eens te bekijken.

In september 1923 besloot Hubble de Andromeda nevel nader te bestuderen met de Hooker Telescoop, de sterkste telescoop op dat moment. Eén ster in deze nevel trok zijn aandacht. Het betrof een variabele Cepheïden ster. Deze ster veranderde in de loop der dagen van sterkte. Door de periode van deze lichtfluctuaties nauwkeurig te meten kon Hubble de afstand tot deze ster te weten komen.

De ster bleek op zo een 900.000 lichtjaar van ons te staan, een afstand veel verder weg dan de randen van onze eigen galaxy. Hier begon het ruimte wonderen andere vormen aan te nemen. Men besefte zich dat er meer dan een sterrenstelsel moest zijn en dat het universum veel groter moest zijn dan gedacht. Deze ontdekking opende ook de mogelijkheid voor andere wetenschappers om anders te denken.

Op dit punt komt Albert Einstein ten tonele. Door de ontdekking van Hubble werd hij geïnspireerd en zo kwam Einstein uiteindelijk tot zijn beroemde relativiteitstheorie. Hij paste zijn nieuwe theorie toe op het universum en kwam tot de conclusie dat alles uiteindelijk ten onder zou gaan aan de zwaartekracht. Alles dat er was zou imploderen tot nagenoeg niets.

Einstein geloofde zijn eigen berekeningen echter niet. De overtuiging dat het universum een stabiel geheel zou zijn woog te zwaar. Daarom bedacht hij lamda (^). Deze waarde stond voor de kosmologische constante en zorgde ervoor dat de relativiteitstheorie een stabiel heelal liet zien.

George Lemaître vond op zijn beurt Einsteins theorie erg interessant en ging hiermee aan de slag. Lemaître is veel minder bekend dan zijn tijdgenoot Einstein, maar voor ons huidige begrip van het universum zeker niet minder belangrijk. Aan de hand van de relativiteitstheorie bedacht Lemaître zijn eigen theorie. Hij meende dat het universum uitdijde en dat zo bezien er een punt moest zijn geweest waarop het universum ongelofelijk klein en dicht was. Hij noemde dit beginpunt het oeratoom. Dit is de eerste keer dat iemand sprak over iets dat op de oerknal leek.

In 1927 ontmoeten Einstein en Lemaître elkaar in Brussel. Lemaître deelde zijn ideeën met Einstein, die dit meteen van tafel veegde. Wiskundig kon dit misschien wel kloppen maar de blik op de werkelijkheid was Lemaître hierin volledig verloren! Einsteins aanzien in de wetenschappelijke wereld was veel hoger dan die van Lemaître en zonder bewijs voor zijn theorie zou hij geen terrein winnen op dit vlak.

Ondertussen zat Hubble ook niet stil. Hij had gehoord dat het mogelijk was dat sommige sterrenstelsels zich van ons verwijderde en wilde dat graag onderzoeken. Hij gebruikte hiervoor een techniek vergelijkbaar met het doppler effect.

Licht bestaat uit verschillende golflengtes. Wanneer een object, op zeer grote afstand, zich van ons af beweegt worden deze golflengtes als het ware opgerekt en verschuift de kleur die we waarnemen naar het rode spectrum. Andersom, wanneer een object ons nadert, worden de golven korter en verschuift de waarneembare kleur naar het blauwe spectrum. Middels deze techniek van roodverschuiving wist Hubble vast te stellen dat de 46 sterrenstelsels die hij bestudeerde allemaal van ons vandaan leken te reizen. Sterker nog, de meest ver gelegen stelsel gingen met een grotere snelheid bij ons vandaan dan de stelsels dichter bij huis. Hieruit kon Hubble niet anders dan concluderen dat het universum uitdijt. En als het universum met de tijd uitdijt, dan betekent dit dat er ooit in een ver, ver verleden een minuscuul beginpunt moet zijn geweest. Lemaître had wellicht gelijk met zijn oeratoom!

Zelfs Einstein was overtuigd en gaf dit tijdens een bezoek aan Hubble in 1931 dan ook eindelijk toe. Hij schrapte de kosmologische constante uit zijn relativiteitstheorie. Het idee van een oerknal wint terrein. Maar de discussie was nog steeds niet voorbij. De Big Bang theorie riep heel veel vragen op en niet iedereen was het er mee eens dat dit de juiste conclusie was.

Men keek naar de samenstelling van de zon en kwam tot de conclusie dat deze uit gelijke elementen als de aarde bestond. De zon moest dan wel een superhete zware stenen bal zijn, vergelijkbaar met de aarde. Cecilia Payne wist dat nog zo net niet en herberekende de uitkomsten van haar collega’s. Ze kwam erachter dat het klopte dat de zon uit dezelfde elementen bestond als de aarde, maar dat de verhoudingen volledig anders waren. De zon bestond namelijk voor 98% uit waterstof en helium en alle overige elementen vormde slechts de andere 2%! Verder bleken deze verhoudingen voor zowat alle sterren in het universum te gelden.

Omdat Cecilia een vrouw was, in een tijd dat de wetenschap nog volledig beheerst werd door mannen, werd ze niet serieus genomen. Het duurde 4 jaar eer de professor, die haar in eerste instantie uitlachte, haar ideeën overnam en deze wel serieus genomen werden! De oerknal won hiermee wederom terrein. Maar er moesten nog vele vragen beantwoord worden.

Georg Gamov en Ralph Alpher gingen samen op zoek naar antwoorden. Ze zochten deze in de eerste momenten na het ontstaan van het universum. Op de een of andere manier zou hier helium en waterstof gevormd moeten zijn. Volgens hun was het universum in het begin een supercompacte superhete deeltjes brei. Zo heet en zo compact dat afzonderlijke atomen niet konden bestaan. Op enig moment na de oerknal is deze brei gaan afkoelen. Op zo een drie minuten na de oerknal is de temperatuur en dichtheid op een punt gekomen dat het mogelijk wordt dat protonen, neutronen en elektronen zich vormen. Maar nog steeds is ons universum een deeltjes brei. Deze eerste oersoep noemde Gamov ‘Ylem’, dat oud Engels is voor materie. Na ongeveer 50 minuten na de oerknal ontstond een klimaat dat de vorming van Helium en Waterstof via kernfusie mogelijk maakte. De verhoudingen die Gamov en Alpher voorspelde middels hun berekeningen kwamen overeen met de verhoudingen die men vond in de sterren. Deze voorspelling bewees de Big Bang theorie, het was inmiddels 1948.

Door de vorming van Helium en Waterstof kwamen ook de eerste fotonen vrij. Fotonen zijn lichtdeeltjes en zo ontstond het eerste licht. Alpher realiseerde zich dat dit ‘licht’ ons nog steeds zou moeten bereiken, al was het maar in een zeer zwakke vorm. Hij berekende dat het uitdijen van het heelal ervoor gezorgd had dat de lichtgolven dusdanig opgerekt waren dat er enkel microgolfstraling van over zou moeten zijn. Microgolfstraling valt niet binnen het spectrum van licht dat wij kunnen zien. En het detecteren van deze straling was in de late jaren 40 nog niet mogelijk. Het was dan ook 15 jaar later toen twee wetenschappers, Arno Penzias en Robbert Wilson, ontdekte dat het universum vol zat met microgolfstraling. Een soort achtergrondruis met een temperatuur van 3° boven het absolute nulpunt. Dit was het bewijs voor de oerknal. Nu kon niemand er meer omheen. In 1964, 40 jaar na Lemaîtres oeratoom werd de oerknal eindelijk geaccepteerd door de mainstream wetenschap!

Nog lang niet alle vragen zijn beantwoord. En als we er al een paar beantwoorden, duiken er meteen weer nieuwe op. Maar het beeld dat we hebben van het ontstaan en het leven van ons universum begon, nog niet zo lang geleden, bij een wetenschapper die naar de hemel keek en daarin iets zag wat anderen niet zagen.
Deze uitdijing van het wetenschappelijke universum begon bij Andromeda. En wanneer ik naar de hemel kijk en op een donkere, maar heldere avond naast Cassiopeia de nevel kan ontwaren, denk ik aan hen die het verwonderen tot een ware kunst hebben verheven.

Gevoelige plaat VIII ‘Bij-zonder’

Inmiddels is het al weer een paar weken geleden dat ik hier voor het eerst over insecten en aanverwante kleine kruipers schreef.
Maar afgelopen week kwam ik ze weer tegen. Een toevallige prettige ontmoeting…

Ik zat rustig achter mijn MacBook een van mijn stukken te schrijven toen er een auto voor de deur stopte. Ik zie Jos uitstappen en richting onze deur lopen. Als hij aanbelt heb ik de deur al bereikt.
‘Hallo Jos, wat leuk jou te zien! Wat kan ik voor je doen?’. Hij wil weten wanneer ik naar zijn bijen kom kijken.
Dat is waar ook. De laatste keer dat we elkaar ontmoette hebben we het over de bijen gehad en heb ik aangegeven dat ik graag een keertje langs zou willen komen om ze te bekijken. Maar het gaat zoals het gaat, vakantie komt ertussen en zo nog het een en ander en voor je het weet ben je heel wat weken verder.
Ik waardeer de spontane actie. Leuk! Had ik niet verwacht.
We spreken af die avond elkaar te ontmoeten bij zijn huis omdat hij de bijen in zijn achtertuin houdt. Ik ga meteen de accu’s in mijn toestel controleren en mijn lenzen poetsen. Ik vind dit werkelijk prachtig en wil dat vastleggen!

Later die avond, wanneer ik bij het huis aankom, wordt ik enthousiast door de huishond Sem begroet. Hij blaft een eind in de rondte en het advies is hem even te negeren. Dat doe ik dan maar en uiteindelijk wordt hij rustig.

Na een glaasje fris en de transformatie van Jos naar echte imker lopen we de diepe tuin in. Helemaal aan het einde, achter een poort, blijkt zich een waar bijenparadijs te verschuilen.
Rechts staan 2 kleine kasten waar een aantal zo goed als lege raten op liggen en er staat een flinke bak groene soep. Dit water is voor de bijen, zo leer ik, want de bijen moeten ook drinken. Jos legt uit dat hij een tijd lang het water steeds ververste, zodat het niet zo een ondoordringbare groene substantie werd, maar hij merkte al snel dat de bijen dat verse water niet zo lekker vonden als die groene smurrie. Dus besloot hij het maar zo te laten.

Links achterin staan wat grotere kasten, een stuk of wat, ik ben ze eigenlijk vergeten te tellen. Ze staan onder een afdakje en het geheel heeft wat van een marktkraampje. Boven de kasten hangen keurig op een rijtje allerlei raten te wachten op een nieuw leven. De kasten bestaan uit verschillende lagen.


Op de bodem van de kast bevindt zich de ingang, met daar net boven de broedkamers. Hier bevindt zich ook de koningin. Ze legt haar hele leven eieren in deze ‘kamers’ en de werksters voorzien elke cel waarin zich een ei bevindt van voedsel en een zegel. De broedlaag wordt afgesloten met een moerrooster, dit rooster is een barrière die de koningin niet nemen kan, maar haar werksters wel. Hierdoor worden er in de bovengelegen honingkamers geen eieren gelegd en vullen ze zich met honing. De kast wordt afgesloten met een stuk plastic, de dekplank (met daarop de administratie van de desbetreffende kast) en daar overheen nog een aluminium deksel. Alles om de bijen een droog en schoon verblijf te gunnen.

Dan de beestjes.
Ze vliegen af en aan vanaf de verschillende kisten. Rustig en ongestoord door onze aanwezigheid. Sommigen blijven wat bij de ingang hangen, vaak met zijn tweeën, zij aan zij. Het lijkt wel of ze elkaar iets te vertellen hebben. Zoals twee oude dametjes die de roddels van de dag doornemen. Schijn bedriegt in deze allerminst, ze hebben elkaar echt iets te vertellen. Bij terugkomst in de kast kan een werkbij de anderen laten weten wat ze waar gevonden heeft door hen te laten proeven en door het doen van een bijendans. Ze wisselen dus belangrijke gegevens uit.

De bijen die wij in onze tuinen zien zijn over het algemeen werksters. Werksters gaan erop uit om voedsel te verzamelen. Ze verzamelen nectar, stuifmeel en propolis. De nectar die ze verzamelen zetten ze door middel van verschillende enzymen in hun lichaam om in honing. Deze honing deponeren ze in een cel en ventileren hem net zo lang tot de honing de juiste dikte heeft bereikt. Dan sluiten ze de cel af met een wasdeksel.

Het stuifmeel is voor de bij en de imker evengoed een belangrijk product. Door het van bloem naar bloem vliegen worden de bijen bedolven onder het stuifmeel. Met hun pootjes wrijven ze het stuifmeel dan richting hun achterpoten waar het achterblijft in de zogenaamde stuifmeelkorfjes. Als je goed kijkt kun je bij bijen en hommels deze stuifmeel ophopingen zien zitten aan hun achterpoten.
Wanneer ze terugvliegen naar de kast deponeren ze het stuifmeel in een cel waarna de jonge bijen in de kast dit stuifmeel aanstampen en bewerken om uiteindelijk de cel af te vullen met honing en te sluiten met een waszegel.
Wanneer de imker het stuifmeel wil oogsten plaatst hij een zogenaamde stuifmeelval bij de ingang van de kast. Dit zorgt ervoor dat de bij nog maar net naar binnen kan en zo het stuifmeel bij de ingang achterlaat. Het stuifmeel valt door een raster waar de bij er niet meer bij kan, maar de imker natuurlijk wel.

Propolis maakt de bij uit hars, bijenwas en stuifmeel en zij gebruikt het om kieren en spleten te dichten in de kast en ze verzegelt ook alle broedcellen met een dun laagje van dit donkere goedje. Propolis kan door de imker verzameld worden om zijn vermeende geneeskrachtige werking.
Hiervoor plaatst de imker een raster op de honingkamers om daarna pas de kast te sluiten. De sleuven in dit raster zullen de bijen sluiten met propolis dat de imker zo gemakkelijk kan oogsten.

Een kast bestaat dus uit een koningin en een heleboel werksters. De jonge bijen blijven in de kast, de oudere en meer ervaren gaan erop uit om voedsel te zoeken. Uit onbevruchte eieren ontstaan de darren (mannetjesbijen). Darren zijn er alleen voor de bevruchting. Ze hebben binnen de korf verder geen functie. Darren vliegen van kast naar kast en blijven dus niet perse bij het volk waar ze geboren zijn. Wanneer voedsel schaars is verjaagd het volk de darren. Ze eten alleen maar en zijn verder ‘nergens goed voor’. Darren zijn altijd op zoek naar jonge koninginnen die ze kunnen bevruchten, feitelijk is dat hun enige taak.

Een volk werkt als een goed geoliede machine. Het is een samenleving op zich waarin ieder lid zijn eigen functie kent. En het is een grote samenleving, een volk kan wel bestaan uit tienduizenden bijen! Alle bijen in een volk zijn de nakomelingen van de koningin.
In principe wil een koningin na een bepaalde tijd zwermen, uitvliegen om een nieuw volk te beginnen. De achtergebleven bijen zullen een nieuwe koningingencel maken en zo verder gaan. De imker wil natuurlijk voorkomen dat zijn koningin op stap gaat, want dan is hij een deel, of zijn hele volk kwijt. Er zijn verschillende manieren om de koningin op haar plek te houden en ik bedenk me nu pas dat ik eigenlijk vergeten ben te vragen hoe Jos dat doet.

Wat ik heb gezien die avond is een gepassioneerd bijenhouder, die met zorg voor de bijen dit mooie ambacht uitoefent.
Hoe de bij het ervaart, daar heb ik geen idee van. Ik kan niet in hun hoofden kijken en het hen ook niet vragen. Maar als de bij het in deze omstandigheden niet naar de zin zou hebben, dan zou zij wellicht gewoon vertrekken, of in ieder geval veel minder productief zijn. Ik denk oprecht, wanneer er zoveel zorg besteed wordt aan een volk, de bij geen leed ondervindt van haar bestaan bij de imker.
In ruil voor een deel van hun wintervoorraad zorgt de imker ervoor dat zijn volk gezond en veilig blijft. Daarnaast geeft de imker de bijen in de winter vervangend voedsel dat beter verteerbaar is voor de bij dan haar eigen honing. Al met al niet echt een hele slechte deal voor deze bijen.

Maar de imker doet nog iets. Hij houdt zo goed en kwaad hij kan de bijenpopulatie in stand. Want met onze zucht naar meer, vergeten we af en toe wat we met de wereld aan het doen zijn. We vergiftigen onze wereld met landbouwgif en onkruidverdelgers in onze eigen tuin. Dit gif komt ook bij de bij terecht en die heeft het daardoor moeilijk. Bijen zijn de bestuivers van onze gewassen. Als er geen bijen meer zijn, ontstaat er op termijn ook een tekort aan voedsel, ons voedsel.
Wat mij betreft doet de imker, deze imker, dus goed werk.

Dat het ook anders gaat lees ik regelmatig. Volken worden veel te vaak van hun honing beroofd en krijgen daarvoor minimale reserves terug. Koninginnen worden kunstmatig geïnsemineerd om de soort te behouden of om een zeer tamme soort te kweken.
Daarnaast is er nog een ander zorgelijk geluid. Wat blijkt, er wordt wereldwijd veel meer honing verkocht dan dat er geproduceerd wordt. Ergens moet ons goedkope potje supermarkthoningmix dus met iets aangelengd worden, maar met wat?…

Na deze avond gezien te hebben wat het inhoud om een goede imker te zijn. En wat er allemaal komt kijken bij het maken van een eenvoudig potje honing ben ik overtuigd. Ik koop geen supermarkthoning meer. Waarschijnlijk is het geeneens honing en daar waar het dat wel is wordt voor dat geld of de imker of de bij uitgebuit.
Ik koop voortaan zonder enige twijfel mijn honing bij mijn lokale imker. Ik ben ervan overtuigd dat ik daarmee een mooi ambacht en de honingbij in stand hou en ik zo nog jaren van deze bijzondere bezige bijtjes in mijn tuin kan genieten!

Oorverdovende stilte

Helden heb ik niet. Ik vind dat maar een vreemde en enigszins onderdanige omgang. Dat zou betekenen dat ik iemand veel beter acht dan mijzelf. Dat is niet de manier waarop ik in het leven sta. Ik vind het bijna slaafs. Alles wat de held doet wordt als goed en zelfs beter gezien door de opkijkende. Het gaat richting slaaf-meester. Een concept dat failliet is, lijkt mij. Ik geloof wel in respect. Iemand die mooie muziek maakt, zinnige dingen onderzoekt en daardoor zinnige dingen zou kunnen zeggen. Dat is het hoogst haalbare dat in mijn wereld haalbaar is.

Ik had voor mijn opa enorm veel respect. Wat was dat een erudiete man en wat heb ik nog steeds enorm veel respect voor hem. Ik mis opa Jansen dagelijks. Ik hing aan zijn lippen wanneer hij op zijn kenmerkende manier ging uitleggen hoe de natuur werkte. Een enorm intelligente man die door zijn rust en kennis enorm veel indruk op mij maakte. Op zondag pakte ik uit zijn kast een boek over dieren. Ik bladerde er door en alle foto’s werden van commentaar voorzien door opa. Op een rustige, verhalende en grappige manier voorzag hij de pagina’s van commentaar. Hij intrigeerde mij waardoor ik over de dieren boeken leende bij de bibliotheek. Dan kon ik de volgende zondag zelf ook wat vertellen over de dieren.

Zijn mooiste uitspraak was: “de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens”. Vele jaren later begon ik de betekenis van deze prachtige oneliner te doorzien. Hij is ook van toepassing op mijn bijdrage op onze site. Ik wil zo graag meer schrijven. Ik wil zo graag vertellen over de mooiste boeken die ik lees. Of over de geweldige gesprekken die ik met vrienden heb. Over de manier hoe Rosalie mij elke keer weer weet te boeien. Over hoe bijzonder de vriendschap is tussen ons. Maar het lukt me niet.

Ik ben sinds 2015 afgekeurd voor het leven. Omdat ik een spierziekte heb waar van geen verwachting is dat het beter zal gaan worden. Spreek deze woorden maar uit en laat de zwaarte ervan tot je doordringen. Ik ben 46 jaar en voor de rest van mijn leven kan ik niet meer werken omdat ik een vrij onbekende spierziekte heb die inderdaad nooit meer beter wordt. Sterker nog, elke maand merk ik dat ik weer een stukje kwaliteit van leven heb moeten inleveren. Helaas zijn er geen vooruitzichten op genezing. Dus doen we niets anders dan het bestrijden van de symptomen. Ik wil jullie graag vertellen dat ik me er niet door uit het veld laat slaan. Dat ik positief ben en enorm geniet van het leven. Ik barst van de plannen, en ideeën. Ik neem me elke dag weer voor om stukken te schrijven.

Helaas is de waarheid weerbarstiger dan mijn plannen. Ik ben zo moe van die irritante pijnen. Moe van de bizarre medicatie die ik slik om de pijn te bestrijden. Daardoor is het voornemen om te schrijven de weg naar de goede voornemens. Ook hier had opa gelijk. Ik geniet van de verhalen die Rosalie op de site zet. Ik ben licht jaloers omdat ik weer te suf ben om iets te schrijven, omdat de pijn door mijn lichaam giert en ik dat weer bestrijd met een verse portie morfine. Ik zie roze olifantjes door de slaapkamer dansen en dat is heel gezellig, maar een ramp voor het schrijven. Heb alsjeblieft geen medelijden met me. Daarom schrijf ik dit niet. Ik heb geen medelijden nodig want ik red het prima en ben en blijf positief. Het is meer een duiding voor jullie lezers. Dat jullie snappen waarom het oorverdovend stil is vanuit deze helft van de oprichters dezer site.

De maan

De maan.

De maan, die bal die in al zijn verschillende fasen altijd zo vertrouwd aan de hemel prijkt.
Hij is de vierde grootste maan van ons zonnestelsel en met een omtrek van 10.916 km en een diameter van 3476 km een serieuze knikker.

Het is ook de enige natuurlijke satelliet die om onze aarde heen draait. De afstand tussen deze knikker en de aarde varieert wat, maar al met al komt het neer op een kleine 400.000 km. Best een eind, maar op astronomische schaal een peulenschil.

Omdat hij zo dichtbij staat beïnvloed hij ook allerlei processen op onze aarde waarvan de meest bekende de getijde werking van onze zeeën en oceanen. Sommigen beweren zelfs dat de stand van de maan ook invloed heeft op de processen in ons lichaam en op alle andere organismen om ons heen. Ze redeneren dat wanneer de maan invloed kan uitoefenen op een grote plas water het dan ook op kleinere schaal invloed kan uitoefenen, in mens, dier en plant. Of dat echt zo werkt weet ik niet, maar hoe dan ook de maan fascineert me enorm. Het is het enige hemellichaam dat we met het blote oog goed kunnen bekijken. Alle verre zonnen en de planeten in ons eigen stelsel kunnen we, met het blote oog, alleen als lichtgevende stipjes aan de hemel zien.

Ik fotografeer hem graag en vaak. Altijd dezelfde kant trouwens. Want in onze beleving heeft de maan een voorkant en een achterkant. De maan staat namelijk altijd met dezelfde zijde naar ons toegericht. Door een kleine wiebel in zijn draaiing zien we zo een 59% van zijn oppervlak… de andere 39% bevindt zich vanuit ons blikveld altijd aan de achterkant.

Dan gisteren, 27 juli 2018, een bijzondere dag. Altijd al natuurlijk, het is de verjaardag van mijn man… Maar deze keer een beetje extra omdat er een zeer lange uitgebreide maansverduistering te zien zal zijn. En een bloedmaan, dat is een maan die door de reflectie van het licht rood kleurt. Het is de langste verduistering in 100 jaar en dus het bekijken waard.

De hele dag schijnt de zon verpletterend hard. Het zweet loopt in pareltjes langs mijn hoofd en zelfs de airco krijgt het niet bijgebeend. Strakblauw hemeltapijtje en dus heel veel zin in de avond.
Aan het einde van de dag gaan we even zwemmen, maar we zorgen dat we tijdig terug zijn zodat we ons kunnen installeren in de tuin.
Als we huiswaarts rijden zien we de bewolking opkomen. Het zal toch niet, het is al weken kurkdroog. Eigenlijk al maanden zelfs. Lang geen wolken meer gezien. Elke avond helder sterrenkijkplezier. En dan nu,… precies vanavond, wolken. Tjonge.

Ik ga toch buiten zitten. Je weet maar nooit. Als er even een opening in het wolkendek ontstaat op precies de goede plek, dan kan ik toch een glimp opvangen van onze eigen bloedmooie rode maan.
Maar helaas… de wolken breken open op het moment dat de maan er weer als vanouds uitziet. Vol en fel. Het lijkt wel of iemand het licht heeft laten branden. Daardoor wordt het sterren kijken moeilijk, het licht overheerst te veel.
Toch kan ik onder de maan een prachtige rosé kleurige planeet zien. Mars. Hij weerkaats het licht van onze zon en staat te stralen aan de hemel. Ik maak er een paar foto’s van, maar echt veel verder dan een oranje stip kom ik niet met mijn kleine telelens en ik bedenk me dat ik toch eens een telescoop moet huren.

Mijn camera laat ik rusten op zijn statief en ik ga even liggen op het zonnebed in onze tuin. Zo kan ik goed omhoog kijken en zien of ik tussen de wolken door enkele sterren herkennen kan. De zomerdriehoek is fel genoeg, Vega, Deneb en Altair, ik herken ze meteen. Maar voor de rest valt er deze nacht, bezaaid met wolken en een felle maan, niet veel te ontdekken.
Als ik zo achterover lig flits er ineens recht boven mij iets fels voorbij. Een vallende ster! Officieel is dat niet de juiste benaming. Sterren vallen niet, of eigenlijk wel… maar dat is een ander onderwerp. Ze passeren onze dampkring in ieder geval niet.
Het verschijnsel, dat wij vallende ster zijn gaan noemen, bestaat eigenlijk uit een klein stukje steen dat vanuit de ruimte onze dampkring binnen valt. Dat stukje noemen we een meteoor. Door de hoge snelheid en de wrijving met de dampkring verdampt het stukje steen en laten de luchtmoleculen een lichtend spoor na, de vallende ster.

Sinds de oude Grieken, cultureel gezien een van onze voorvaderen, wensen we bij het vallen van een ster.
Men dacht dat de Goden met enige regelmaat naar de aarde kwamen. Bij het afdalen vanuit de hemel, kon er een ster uit positie gestoten worden en deze zou dan op de aarde vallen.
Het zien van een vallende ster betekende dus dat de Goden nu heel dichtbij waren en wanneer je dan iets wenste, de kans groter was dat je gehoord werd.

Nu weet ik dat er geen Goden zijn die sterren uit hun baan slingeren en op aarde doen belanden. En dat is maar goed ook, want de sterren die wij zien zijn vele malen groter dan onze eigen blauwe knikker. Dus mocht er eentje op ramkoers liggen, dan is dat niet iets om je op te verheugen.
Maar toch, een flits, die ene flits, in de met sterren en wolken gevulde nacht, doet me denken aan een wens. Ik kijk naar boven en verwonder me over wat we allemaal weten en toch ook niet en doe mijn wens…

De gevoelige plaat VII ‘Hier aan de kust…’

Hier aan de kust: zonsondergang aan zee met wolkenlucht

Ik denk niet dat ik de enige ben. Nou ja, ik weet het eigenlijk wel zeker. Gezien de enorme drommen toeristen die elke zomer weer naar onze kustgebieden trekken, mag ik aannemen dat de zee een enorme aantrekkingskracht uitoefent op heel veel mensen.
Als kind fantaseerde ik al over het wonen aan zee. Zelf in de zuidelijke binnenlanden van ons koninkrijk opgegroeid droomde ik over een volwassen leven ver van de heuvels, aan een of andere exotische kustplaats met een huisje midden op het strand. Het leek me geweldig om de woeste zee elk jaargetijde te mogen ervaren.

Er gaat ook een verlangen schuil in de zee. Een verlangen naar vrijheid, ontdekking, nieuwe mogelijkheden. De zee die daar zo voor je ligt is als een grens die wij niet kunnen bepalen. Dat ene stukje aarde dat wij onmogelijk kunnen temmen. We proberen het wel, maar uiteindelijk kunnen we nooit echt van haar winnen.

Het liefst zit ik ’s avonds aan zee. De grote drukte verdwijnt dan richting avondmaal en ik kan uren turen naar de eindeloze verte, de prachtige wolken en hoe de verdwijnende zon met hen speelt. De kleuren, de geur en zelfs de altijd aanwezige en nergens bang voor zijnde meeuwen… Ik hou ervan en voel me er thuis. Een tijdje was ik er ook thuis.
Een aantal jaar geleden verhuisde ik naar het westen om te wonen aan de mij zo dierbare kustlijn met de liefde van mijn leven. We betrokken een klein huisje vlakbij zee, dat gaf me de gelegenheid er elke dag even langs te lopen of te fietsen. De duinen in of gewoon aan het water, in het water, genietend van elk moment.

Maar zoals dat zo vaak gaat met momenten, ze gaan voorbij. Het leven krijgt een andere wending en wat ons betreft ook een andere plaats. Terug naar ooit, ergens diep in het zuiden, weg van zee en zand.
En toch blijft de zee in mij verlangen naar deze plek. De plek waar ik me op slag thuis voelde, de plek waar ik woonde, werkte en mooie vrienden leerde kennen. Met enige regelmaat keren we dan ook terug naar huis. Om vrienden te zien, om de zee te ervaren en om samen te zijn met dat ene kostbare gezinnetje dat ons zo dierbaar is.

De laatste keer kan ik me eigenlijk nauwelijks herinneren. Er is zoveel gebeurd. Het lukte gewoon niet om er weer eens te geraken.
Maar nu, nu is het ons toch weer gelukt. Nu zijn we er weer en genieten we elke avond van de zee. Turen naar de eindeloze verte, wachtend op de stervende zon, die zakkend in de zee het verlangen naar de nacht, met een hemel vol sterren, lijkt na te jagen. We zeggen niets en nemen de ruisende schoonheid in ons op.
We bespreken de dagen die we hier vullen met liefde en vriendschap. Hoe rijk we zijn met zoveel mooie mensen om ons heen, die ons altijd welkom heten en waar we ook nu weer hele fijne middagen en avonden mee doorgebracht hebben. Wat een rijkdom, een thuis van huis.
Tussendoor speel ik met mijn camera. Ik probeer het prachtige schouwspel te vangen in pixels die harder schreeuwen dan duizend woorden. Tevreden kijk ik terug. Ik ben er weer, we kunnen het weer… af en toe, terug naar huis.

De gevoelige plaat VI ‘Lekker zwammen’

De gevoelige plaat : zwavelzwam

Het is al weer een tijdje geleden dat ik zonder (of in ieder geval met weinig) problemen door het bos kon struinen. Gewapend met mijn camera op strooptocht naar bijzondere of intrigerende zaken.
Het heeft me altijd verbaasd hoe dichtbevolkt zo een relatief klein stukje aarde is. Elke centimeter wordt benut door soms zelfs meerdere levensvormen. Alles leeft in harmonie met elkaar samen. Elke levensvorm draagt zorg voor de volgende en wordt tegelijkertijd ook ondersteund door een ander zodat alles in evenwicht voort kan bestaan. Geen burenruzies, geen gedoe over jij hoort hier niet. In het bos kan alles gewoon zijn…

Een van de levensvormen die mijn bijzondere interesse heeft zijn zwammen, schimmels of paddestoelen.
Paddestoelen vind ik geen goed woord. Het doet me denken aan Jan Poortvliets rood met witte stippen en dat doet de soort flink te kort. Daarnaast zegt het woord paddestoel, net als zwam trouwens, alleen iets over de vrucht van dit organisme en verder niet over het organisme zelf.
Ik geef de voorkeur aan schimmel. Want dat wat wij bovengronds opmerken als paddestoel of zwam is slechts een heel klein deel van dit organisme. Ondergronds of in zijn gastheer bevinden zich schimmeldraden en zwamvlokken. Het grootst levende organisme op onze planeet is een zwam die zich in het Malheur National Forest in Oregon bevindt. Deze gigant beslaat een kleine 10 vierkante kilometer en zou ergens tussen de 2400 en 8650 jaar oud zijn! Ik ken weinig leven dat hem dat nadoet.

Schimmels zijn hun eigen soort. Het zijn dus geen planten, maar ook geen dieren. En hoewel ze misschien meer plant lijken dan dier is wetenschappelijk gezien het tegenovergestelde waar.
Schimmels vervullen meerdere belangrijke rollen in het ecosysteem van een bos. De bovengrondse vruchtlichamen dienen met regelmaat als voeding voor een heel arsenaal aan dieren in het bos, en zelfs voor ons zijn sommigen een lekkere, gezonde versnapering. Maar ondergronds, of in hun gastheer spelen nog veel meer dingen.

Zo zijn er schimmels die hun gastheer voeden door deze van verschillende mineralen te voorzien met hun meeldraden. Die gastheer, over het algemeen een boom, kan die mineralen dan weer omzetten in andere stoffen die de schimmel weer kan gebruiken om te groeien. Anderen leven juist van dood hout en plantmateriaal. Ze zijn, samen met bacteriën, de opruimers van het bos. Ze zorgen ervoor dat niets verloren gaat. Alle stoffen die, bijvoorbeeld, de boom aan het einde van zijn leven achterlaat in zijn resten worden afgebroken en teruggeven aan het bos door middel van deze schimmels.
En nog gaver misschien, er zijn zelfs schimmels die hun leven beginnen op levend hout, daar een tijdje op parasiteren om daarna, wanneer de boom overleden is, verder te leven als opruimer en de resten van zijn gastheer te verteren tot nieuwe voedingsstoffen voor andere bosbewoners.

Het bos an sich zou zelfs niet kunnen overleven zonder de hulp van schimmels. Los van het feit dat het een enorm ratjetoe zou worden van plantmateriaal dat niet afgebroken kan worden is er namelijk nog iets.
Bomen en planten communiceren met elkaar door middel van deze schimmeldraden. De hoogste bomen van het bos zijn de moederbomen. Zij zijn in staat om met hun enorme bladerdak en uitgebreid wortelstelsel enorme voorraden voedsel aan te maken. Maar jonge bomen en zaailingen hebben die stoffen ook nodig. Zij kunnen eigenlijk niet groeien in het weinige licht. Het licht dat hun wordt ontnomen door hun ouders die met hun enorme bladerdak het grootste deel wegvangen van de bodem.
Onderzoekers hebben uitgerekend dat het bos snel zou sterven wanneer er niet een andere manier voor de jonge en lage begroeiing van het bos zou zijn om aan hun voedingsstoffen te komen.

Wie zijn hier verantwoordelijk voor? Juist, schimmels. De vegetatie van een bos is met elkaar verbonden door middel van schimmeldraden. Het zijn de telefoonlijnen van het bos. De grote moederbomen geven voedingsstoffen af aan deze schimmeldraden die ze vervolgens transporteren en er zo voor zorgen dat het ook bij het jonge loof terecht komt. Het bos kan letterlijk niet bestaan zonder!

Het vruchtlichaam van de schimmel op deze foto is een zwavelzwam. Hij groeit met name op eikenhout, maar schuwt ook bijvoorbeeld eucalyptus niet. Hij komt algemeen voor en je kunt hem rond deze tijd van het jaar treffen in het bos. Ik vind hem prachtig. Hij is eetbaar, maar ik laat hem altijd staan. Ik zie de meerwaarde van het vernielen van deze kanjer, die wel 10 kilo wegen kan, niet echt in.

De zwavelzwam is, wat wij noemen, een parasiet. Hij leeft van zijn gastheer en die gastheer vindt dat niet fijn. Het feit dat de boom besmet raakt met een dergelijke zwam betekent waarschijnlijk al dat het niet goed gaat met de desbetreffende woudreus. De zwam geeft hem het laatste zetje en zorgt daarna ook nog voor de opruimwerkzaamheden. De zwavelzwam geeft trouwens niet elk jaar vruchtlichamen. Je kunt hem het ene jaar treffen en het andere niet. Laat je niet bedotten, het betekent niet dat hij er niet meer is. Ondergronds, of in zijn gastheer leven zijn schimmeldraden voort. Wanneer hij genoeg energie heeft opgedaan toont hij dan zijn prachtige voorkomen aan ons en vormt hij sporen voor de volgende generatie zwammen.

Dus wanneer je nog eens in het bos bent en je komt deze, of een van zijn collega’s tegen, bekijk hem dan goed en bedenk je dat er nog zoveel is dat we niet begrijpen. Dat we intelligent leven staven aan onze eigen intelligentie, maar dat die heus niet zoveel voorstelt. Dat er alleen al op onze eigen aarde zoveel verschillende levensvormen zijn die in complete harmonie met elkaar samenleven, waar wij dat nog niet eens in staat zijn met onze eigen soort…

Sta er gewoon even bij stil, bekijk en bewonder.

Over vriendschap en verstrengeling….

Over vriendschap en verstrengeling... Paul en Rosalie

Vrienden, ze komen in allerlei soorten. Zelf ben ik totaal niet selectief als het om de verpakking gaat,… maar wel erg kritisch op de inhoud.
Sommigen zijn aardig. Leuk om mee om te gaan, maar verder wat oppervlakkig. Kennissen zeg maar. Anderen zijn vrienden, goede vrienden, beste… noem het maar.
Maar soms, heel soms is er nog iets anders. En als je veel geluk hebt kom je dat tegen. Een vriendschap die in geen enkel hokje past en zo mooi is dat je zeker weet, dit is voor altijd. Hier gaat niks meer tussen komen.

Wat heeft dat dan met quantumfysica te maken?
Misschien is de overeenkomst wel dat je er niets van begrijpt maar dat je zeker weet dat het helemaal klopt.
Daarnaast is het ook nog zo dat juist dat hele kleine me enorm boeit, waardoor ik die vergelijking gemakkelijk trek. Sowieso zit er veel overlap tussen groot en klein. Bekijk de schematische weergave van een atoom en het lijkt alsof je naar een klein zonnestelsel kijkt. Dus waarom dan niet nog kleiner gaan en kijken wat er op het niveau van de elementaire deeltjes gebeurt en hoe dat wellicht ook lijkt op de grotere zaken in ons leven.
Misschien is de mens wel voorgeprogrammeerd om overal een oorzaak en een logisch gevolg in te zoeken. En wellicht heeft het een geen donder te maken met het ander maar frappant is het natuurlijk wel.

Afgelopen week was ik op visite bij Paul. ‘Is dat bijzonder?’ zul je denken? Ja, dat is best bijzonder kan ik je vertellen. Paul en ik zijn aan het einde van oktober 2017 tegen elkaar aangebotst, als twee elementaire deeltjes zeg maar. Ik was online opzoek naar enige houvast in mijn idiote bestaan en Paul was zo lief geweest dat alles op te pennen in zijn blog. Niet per se voor mij natuurlijk, maar toch.

Ik heb er eerder al eens over verteld.
Een tijdje bleef onze vriendschap een online contact. Heel gek eigenlijk, want dat past helemaal niet zo bij mij. Maar het klikte onwaarschijnlijk en we raakte aan een ongelofelijk lange babbel die nog altijd voortraast. Een beetje zoals de storm die Jupiter al minstens 300 jaar in zijn greep houdt.
Ergens in januari van dit jaar besluiten we het online contact om te zetten in een fysieke ontmoeting. Beiden niet fit door wat medische kwesties, lukt het ons toch af te spreken.

Want ook al zijn we inmiddels uitzonderlijk goede vrienden, de kleine 200 km die tussen ons beider huizen zit wordt daar toch niet korter van. Ik reis samen met mijn man hun kant op en wij verblijven twee nachten in een hotel om weer bij te tanken zodat we de terugreis veilig konden maken.

We ontmoeten elkaar voor het eerst live en wat we eigenlijk al lang wisten wordt hier normaals bevestigd. Dit is een hele mooie bijzondere vriendschap waar geen speld meer tussen te krijgen is en die in geen enkel hokje passen wil. Hoe het zo gebeuren kan weten we niet, maar het klopt gewoon aan alle kanten.

Nu hoor ik je denken ‘Dat is een fantastisch verhaal, maar wat heeft dat met quantum te maken?’. Heel veel en heel weinig.
Paul en ik praten over alles, echt alles. Wat ons boeit, verbaast, waar we verdrietig van worden en vrolijk.
Deze week, terwijl we buiten een lekker ontbijtje in het ochtendzonnetje genoten, kwam het luchtige onderwerp van de verstrengeling boven drijven. Hoe zit dat dan precies? Het is allemaal zo ingewikkeld of misschien toch niet…

Op het niveau van de quantum werken dingen anders dan dat wij gewend zijn in de klassieke wereld (lees: de wereld die we met het redelijke blote oog kunnen waarnemen). Vergelijk het met de allegorie van de grot van Plato. De klassieke wereld is de schaduw op de muur van de grot waar de geketende bewoners van die grot naar kijken. Hun werkelijkheid bestaat dus enkel uit schaduwen van de werkelijke werkelijkheid. De quantum wereld is de werkelijke werkelijkheid. Het zijn de objecten achter de geketende bewoners van de grot, die voor de schaduwen op de muur zorgen.

In de quantum wereld kunnen er dus dingen gebeuren die wij onlogisch vinden of waarvan we niet precies weten hoe of waarom het zo gebeurt. We leren steeds meer, maar zien vooralsnog toch nog vooral de schaduwen op de muur van de grot. Hieruit moeten we dan proberen te achterhalen hoe het echt zit. Met nauwkeurige metingen ontdekken we het een en ander, en ook al begrijpen we nog niet zo goed waarom, we weten dat het zo is.

Wat is dan verstrengeling? Ik zal het proberen zo simpel mogelijk uit te leggen.
Wanneer twee elementaire deeltjes van dezelfde soort per ongeluk, zonder enige reden, met elkaar in botsing komen (zoals ook Paul en Rosalie op enig moment onverwacht op elkaar klapten) wisselen ze eigenschappen uit. Ze worden een beetje familie. De een koopt een Macbook en de ander probeert misschien toch eens een stukje kaas. Je zit op dezelfde golflengte en je luistert en leert van elkaar.
Laten we zeggen dat deze elementaire deeltjes beiden een eigen kleur hebben. We geven deeltje R de kleur rood en deeltje P bijvoorbeeld groen.

Wanneer ze elkaar tegenkomen, of botsen, wisselen ze dus eigenschappen uit. Ze babbelen wat over van alles en nog wat en worden vrienden. R wordt daardoor ook een beetje groen en P een beetje rood. Ze besmetten elkaar met hun enthousiasme voor een bepaalde kleur, zoiets.
Nu hebben we dus twee deeltjes met dezelfde eigenschappen voor kleur. Ze zijn namelijk beiden nu rood/groen. Hun vriendschap is zo hecht geworden dat het nu lijkt alsof ze familie zijn (wie zal het zeggen, misschien is dat ook wel zo).

Maar net als met elke vriendschap, is er een tijd van komen en een tijd dat je toch ook weer moet gaan. Hoe gezellig het ook is en hoe vaak deze bijzondere vrienden elkaar nog zullen treffen, uiteindelijk gaan ze beiden toch weer gewoon netjes naar huis.
Echter thuisgekomen, na dit mooie weerzien, blijkt dat R permanent eigenschappen van P heeft overgenomen en vice versa. Ze hebben elkaar op elementair niveau beïnvloed. En mooier nog, hoe ver je ze ook uit elkaar haalt. Al stop je er hele melkwegstelsels tussen, ze blijven elkaars eigenschappen bezitten. Zowel R als P blijven voor altijd rood/groen.

En, nu komt het mooie, ze blijven met elkaar verbonden. Hoe ver je ze ook uit elkaar haalt. Want wat blijkt, wanneer je deeltje R dwingt kleur te bekennen (omdat deeltjes nu eenmaal niet rood en groen tegenlijk kunnen zijn) en R geeft aan rood te zijn, dan wordt P onmiddellijk groen. Echt meteen, op slag, niks aan te doen. Sneller dan het licht kan reizen. Als R rood is, is P groen. Zo houden ze elkaar in balans voor altijd, ongeacht afstand. En dat is wat we in de Quantum wereld verstrengeling noemen (en in de klassieke, vrienden voor het leven).

© 2020 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑