De sleutel -het slot-

het slot

Daar is het weer! Dat geluid. Ik sper mijn ogen wijd open en spits mijn oren. Het is inmiddels weer ochtend. Ik werd gewekt door de roep van die uil die mij lijkt te achtervolgen. Of achtervolg ik de uil? Het is mij niet helemaal duidelijk.

Als ik om me heen kijk zie ik de wereld beneden mij en herinner ik me dat ik hier gister strandde. Met mijn voeten stram en pijnlijk kruip ik naar de rand van de afgrond en ga ik recht zitten, mijn benen bungelen naar beneden. Als ik de afgrond in kijk bedenk ik me dat dit mij helemaal niet beangstigd. Ik heb nooit hoogtevrees gehad, maar de moed om werkelijk op de rand van zo een afgrond te gaan zitten met mijn benen de diepte in bungelend heeft me altijd ontbroken. Nu doet het me niks. Geen angst voor de diepte. Geen angst voor de pijn. Gewoon niks.

Terwijl ik me daar over verbaas klinkt het weer hard en schel. Die uil begint me nu toch langzaam aan te irriteren. Ik kijk in de richting van het geluid. Ik zie wel wat vogels vliegen maar er zit geen uil bij. Dan nog een keer, nu dichterbij, weer die roep! Als ik in de richting van het geluid kijk zie ik in een flits iets naderen. In mijn poging het projectiel te ontwijken klap ik achterover in het gras. Ik zie nog net wat bruine en blauwe veren.

Mijn verbazing is nog niet helemaal gezakt als ik een schaterlach achter mij hoor. Dat klinkt heel menselijk. Ik was ervan overtuigd dat ik hier alleen was. Blijkbaar had ik dat mis.
Als ik recht ga zitten en achter mij kijk zie ik een gaai die vlakbij op het gras is gaan zitten Die uil. Het was geen uil…
Gaaien zijn net papegaaien. Ze doen andere vogels na en deze vond het blijkbaar grappig mij te doen geloven dat zij een uil was.
Nog naar de gaai kijkende zie ik in mijn ooghoek iets dichterbij komen. Als ik opkijk zie ik een man. Hij loopt niet, maar verplaatst zich zitten. Zittend en lachend. Schuddend van het lachen.

Inmiddels moet ik er zelf ook om lachen. Van alle vreemde zaken die ik de afgelopen tijd ben tegengekomen is deze gaai mij wel heel gewoon. Ik ben gek op kraaien en kraaiachtigen. De gaai hoort daar ook zeker bij en ik ken zijn trucjes, maar nu had deze me toch bij de neus.

De man die inmiddels naast mij zit, in een flitse groene rolstoel met een paar stevige banden, opent het gesprek met: ‘Wat leuk dat je ook hier bent! Kennen wij elkaar ergens van? Ben jij ook betoverd door die gemene heks? Wat hebben we gemeen?’Jeetje, dat zijn ineens heel veel vragen. Het enige dat ik uit weet te brengen is ‘ik heb geen idee’.
De man kijkt me wat verbaasd aan. Ik bedenk me dat ik met dat ene antwoord er niet vanaf kom, al lijkt het al zijn vragen te beantwoorden, dus licht ik mijn woorden toe.

Ik weet niet of ik je ken. Je komt me bekent voor, maar ik heb je nog nooit gezien geloof ik. Van een gemene heks weet ik niks. Ik vond een sleutel in mijn tuin. De sleutel bezorgde me veel pijn, maar zonder kon ik niet meer zijn. Ik volgde de weg van de sleutel en vond een deur. Ik opende de deur en kwam in een totaal nieuwe wereld terecht. Ik heb me verwonderd over de dieren en de planten. ’s Avonds tuurde ik naar de sterren. Ondanks de pijn is de wereld nog even mooi. Ik voel me vol leven en nieuwsgierigheid. Ik wil ontdekken en verkennen. Hier voel ik mij thuis.

De man glimlacht en zegt ‘Ik rol hier al een tijdje rond. Een gemene heks betoverde mij. Ze gaf me pijn en nog veel meer. Ze dacht dat ze met haar betovering mijn vreugde breken kon. Maar dat lukte haar niet. Ook ik vond een sleutel. De sleutel nam mijn pijn niet weg. Het opende wel een deur. De deur die ook jij opende, de poort naar verwondering. En nu ben ik hier al een tijdje, met alle lieve mensen om mij heen, maar ik mis een betoverd wondermaatje. Er zijn er meer zoals wij, betoverd. Maar bij hen is de betovering volledig aangeslagen. Ze sjokken door het leven zonder verwondering of vreugde.’

Mijn hoofd tolt een beetje, betovering? Gemene heks? Dat soort dingen horen toch in sprookjesboeken? Ik ben hier veel te nuchter voor. Ik kijk nog eens goed om me heen. Ineens zie ik het. Ik ben thuis. Gewoon waar ik zijn moet met alle mooie mensen om mij heen. En tegelijkertijd bevind in me in een wereld die zij niet kennen. Zou dat de betovering zijn waarover hij spreekt?

Ik denk dat enige verbazing van mijn gezicht af te lezen valt. Dus vult hij zijn verhaal aan met: ‘ Jij lijkt meer zoals mij. Betoverd, maar toch het verwonderen niet verleert. Jij loopt nieuwsgierig door deze wereld van wonderen. Je denkt na, leest en vraagt net als ik. Jij bent betoverd, anders zou je hier niet zijn, maar je bent je verwondering niet verloren.’

Ik heb geen heks gezien, tenminste dat denk ik. Die rare sleutel heeft wel iets met me gedaan. Misschien hangt mijn betovering samen met het vinden van de sleutel en heb ik daarom geen heks gezien. Ineens vraag ik me af of mijn betovering mijn leven verrijkt heeft.

Nog voordat ik daar een antwoord op bedenken kan ratelt de man verder. ‘Ik ben Paul trouwens. Ik woon samen met mijn vrouw en drie vrolijke katten ergens in het oosten des lands. Ik denk dat wij het best goed vinden kunnen.’ Terwijl hij dat zegt steekt hij zijn rechterhand naar mij uit. Het is duidelijk dat hij de mijne schudde wil. In zijn hand zie ik een afdruk. Even kijk ik naar de afdruk in mijn eigen hand en denk aan de betovering waar hij over sprak. Die heks die ons beiden ongemak bezorgde heeft misschien toch iets goed gedaan.
Ik twijfel niet en druk mijn hand in de zijne. Ik ben Rosalie. ‘Hey Rosalie, laten we vrienden worden.’ Stelt Paul zonder twijfel voor. ‘Ja, laten we dat doen’ antwoord ik…

<Hoofstuk 14

1 Reactie

  1. Virginie Royen

    23 april 2019 op 20:41

    Gelukkig staat de deur nu, voor altijd van het slot, WAGENWIJD open.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

© 2019 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑