De sleutel -14-

De Sleutel -Hoofdstuk 12-

Als ik weer wakker wordt zijn de sterren al lang verdwenen. Stijf en stram rek ik mij uit en kijk ik over de vlakte die ik gisteren onder mij liet toen ik een veilig heenkomen zocht in deze boom.
Ik denk nog aan de sterrenhemel die ik gisteravond zag. En aan de voor mij vreemde omgeving waarin ik mij nu bevind. Wat heeft het donkere wezen daar mee te maken en wat voor creaturen leven hier nog meer?

Voordat ik het antwoord op die vraag bedenken kan hoor ik een bekend geluid. De uil is terug! Ze roept luid en duidelijk. Ik kijk om me heen maar kan haar nog steeds nergens ontdekken. Misschien zit ze ergens tussen het hoge gras en kan ik haar daarom niet zien. Ik besluit af te dalen uit mijn boom en mijn weg in de richting van het geluid te vervolgen.

Al bij mijn eerste stappen word mijn realiteit weer pijnlijk duidelijk. Het uit de boom komen was niet eerder zo een uitdaging. De druk van de smalle takken onder mijn voetzolen doen de pijn naar grote hoogten schieten. Ik zet door, ik moet weer uit deze boom geraken. Er zit simpelweg niks anders op. Ik verbijt de pijn en al snel sta ik weer op vaste bodem.

De roep van de uil houdt aan en wanneer ik een paar passen gezet heb tussen het hoge gras steekt er een forse wind op. Even blijf ik staan. Het gras waait alle kanten op en het stof blaast in mijn ogen. Wanneer de wind gaat liggen heeft zich een pad gevormd. Recht voor mij, dwars door het gras. Ik weet even niet goed of ik nu verbaasd ben of juist niet. Het pad lijkt in de richting van de roep te wijzen en dus besluit ik het te volgen.

Als ik een paar honderd meter heb afgelegd valt me ineens op dat het is gestopt. De uil. Ik hoor haar al een tijdje niet meer. Het pad bevindt zich echter nog steeds recht voor mij en lijkt ook niet meer op te gaan in de onoverzichtelijke massa hoog gras. Ik probeer te ontdekken waar ik nu heen ga. In het gras ontdek ik veel kleine en minder kleine insecten. Bidsprinkhanen, mieren, spinnen en spinachtigen kruipen over elkaar heen en langs elkaar door. Met mijn insectenhart kijk ik mijn ogen uit terwijl ik verder loop. Ik heb geen idee waarheen.

Dan, plots, komt er hoorbaar beweging in het gras. Ik stop om goed te kunnen luisteren. Het is nog steeds windstil op deze wederom warme dag. Ik beweeg niet, maar het geluid blijft aanhouden. Sterker nog, het lijkt mijn kant op te komen. Iets anders dan ikzelf of de wind veroorzaakt beweging in het gras. Stokstijf blijf ik staan als het geluid hoorbaar blijft naderen. Wat moet ik doen?

Terwijl ik vragend om me heen kijk zie ik plots voor mij 3 giraffen opdoemen, ze lopen richting het pad en kruisen het uiteindelijk ook. Ze lijken zich niet bewust van mijn aanwezigheid en sjokken rustig verder. Ik geloof mijn ogen niet! Waar komen die nu vandaan? Waar ben ik in hemelsnaam beland? Ik kijk ze een eindje na, niet goed wetende wat ik hiervan denken moet. Uiteindelijk besluit ik verder te lopen. Hier blijven staan heeft weinig zin.

De hele dag ploeter ik over de oneindige grasvlakte. Inmiddels ben ik mijn gevoel voor richting goed kwijt. Ik volg het pad en kijk om me heen. Meer dan hier en daar wat struiken zie ik niet tegen. Het heetst van de dag heb ik gehad. De zon zakt langzaam richting horizon. Ik kijk om me heen op zoek naar wederom een slaapplaats en af en toe bekijk ik de zakkende zon. Als hij ondergaat is het stikdonker, de maanloze nacht toont haar velen constellaties, maar die geven niet voldoende licht om het donker te verjagen.

Ik overweeg een paar struiken maar dichterbij gekomen doen de lange dorens mij wij weinig behaaglijk aan. Ik besluit nog wat verder te lopen. Wanneer ik, de inmiddels, oranjerode bal laag aan de hemel nogmaals bekijk valt me iets op. Het lijkt wel of daar in de verte het gras stop. Er zijn geen bomen, en geen struiken. De glooiing in het landschap lijkt verdwenen.

Verbaasd besluit ik van het pad te wijken en naar het einde van deze vlakte koers te zetten. Ineens maak ik me niet meer druk over de invallende schemer. Ik wil weten wat daar aan het einde van de vlakte zich bevindt. Een nieuwe wending, een nieuwe wereld? Of gewoon de rand van ons bestaan?

Omdat het langzaamaan door de zakkende zon koeler wordt kan ik meer meters maken. Het lijkt wel of deze richting mij aantrekt. Ondanks de pijn en vermoeidheid zet ik door. Wanneer het einde van de dag lijkt te naderen hoor ik duidelijke een ruisend geluid. Water! Veel water! Ik kijk om mee heen maar zie geen water. Nog nieuwsgieriger zet ik door.

Nu ik nog maar een paar meter van het einde van deze vlakte verwijderd ben zie ik dat de wereld hier niet eindigt. Hij gaat omlaag. Ik nader een afgrond. Wat zal dat te betekenen hebben en wat bevindt zich daar beneden dan?

Eenmaal de afgrond bereikt weet ik niet waar ik kijken moet. Het ruisende water komt van een waterval die zich 100 meter links van mij bevindt en woest naar beneden klettert. Beneden is ook zeker 100 meter ver. Er meandert een rivier door het landschap beneden. Ik zie groen gras, water bomen en struiken. En ik zie dieren. Veel dieren. Ondanks dat alles ver weg is kan ik ze allemaal onderscheiden. Olifanten, giraffes, nijlpaarden op de vlakte. Vogels in de lucht. Papegaaien, kauwtjes en andere kraaiachtigen, meeuwen, parkieten alles lijkt door elkaar te fladderen.

In de bomen zie ik apen, eekhoorns en nog meer vogels. Onder de bomen… onder de bomen zie ik de zwarte schim die ik eerder tegenkwam. Ik schrik ervan. Een enorme zwarte aap die rustig van de bladeren snoept en zich langzaam maar zelfverzekerd voortbeweegt. Een gorilla! Waar ben ik in hemelsnaam beland en hoe kan ik zo ver van huis zijn en toch heel dichtbij?

De lucht is inmiddels diep paars en de zon is achter de horizon verdwenen. De temperatuur is gedaald maar het is nog steeds aangenaam. En daar zit ik dan, aan het einde van die grote vlakte en aan het begin van een nieuwe wereld. Niet meer nagedacht hebbende over een plek om te overnachten laat ik mij achterover vallen in het gras. Kijkend naar de sterren bedenk ik me dat ik geen idee heb waar ik morgen heen moet gaan. Er flitsen allerlei gedachten door mijn hoofd, ik voel mijn oogleden zwaarder worden en uiteindelijk val ik toch weer in slaap.

 

<Hoofdstuk 13.                                                                                                         Het slot>

1 Reactie

  1. Virginie Royen

    15 april 2019 op 13:25

    Toch terug naar de wildernis ?? 😃

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

© 2019 Wonderwerpen

Thema door Anders NorénOmhoog ↑