De sleutel – 9 –

De Sleutel

Daar sta ik dan. In een oerwoud lijkt het wel. Als ik me omdraai blijkt de deur naar mijn wereld nog steeds open te staan. Anders dan alles dat zich hiervoor heeft afgespeeld verbaas ik mij over wat ik hier ervaar. De zon schijnt er, maar alles lijkt in een ander licht te staan. Er hangt een warme gloed over deze wereld. De kleuren zijn prachtig. Het groen is groener dan al het groen dat ik ooit zag. Het is er warm, maar niet benauwd. Ik hoor de vogels, maar ik herken ze niet.

Omdat de deur naar mijn eigen wereld nog steeds open staat durf ik het aan een paar stappen te nemen. Als ik achterom kijk blijkt het pad nog steeds te bestaan. Toch heb ik niet de drang terug te lopen. Ik loop een eindje vooruit en kom dan op een open plek in het woud. Als ik ga zitten realiseer ik mij dat er geen weg meer terug is naar die plek van ooit. Dat ik hier thuis ben en dat iedereen om mij heen staat, al zie ik dat niet. Ik voel met alles wat ik heb dat ik hier hoor.

Ik kijk naar mijn rechterhand waar eens de sleutel zat. De sleutel waarmee ik de deur opende naar deze wondere wereld. De sleutel die nog in het sleutelgat steekt. Ik schrik en besef me dat ik al een tijdje rondloop zonder de sleutel.

Voordat ik deze deur opende kon ik me niet verplaatsen zonder sleutel. Wanneer ik hem liet vallen of even neer gelegd had stopte mijn voeten en benen met die belachelijke pijnen. Maar ze stopte dan ook meteen met werken. Als pudding bungelde ze aan mijn lijf. Zitten was dan de enige optie.
Maar nu, nu was ik de sleutel kwijt. Hij stak nog in het slot. Mijn benen en voeten deden echter nog altijd zeer, maar ik was de controle over hen niet verloren. De sleutel had zijn magie verloren en hij had een vervelend restje achter gelaten. Verward kijk ik naar de afdruk in mijn hand. Wat zal dit betekenen?

Dan besluit ik in ieder geval op deze open plek de nacht door te brengen. De zon zakt al en kleurt de lucht fel oranje. Nu verder lopen heeft geen enkele zin en daarnaast willen mijn voeten echt niet nog verder vandaag. Ik ga liggen in het zachte gras op deze open plek. Als ik omhoog kijk zie ik dat het langzaam donker wordt.
Aan de hemel, die ik nu duidelijk zien kan, verschijnen de eerste sterren. Ik zie de grote beer recht boven mij ontstaan en van daaruit kan ik ook Polaris zien en de kleine beer. Zoals ik hier nu lig, lekker in het gras, voel ik mij prima op mijn gemak. Ik hoor allerlei geluiden de nacht inluiden en ik kan moeilijk thuisbrengen van wie ze zijn.
Starend naar de sterren val ik langzaam in slaap.

Ik droom ernstig realistisch deze nacht. Ik ben thuis, in mijn tuin. Het is lekker weer en ik lees een boekje. Hugo vraagt of ik ook wat drinken wil. Ik kijk hem wat verbaast aan. We hebben elkaar enkele dagen niet gezien of gesproken. Dat is op zich geen uitzondering, maar dan weten we over het algemeen wel van elkaar waar we uithangen. Nu ik hier weer zo plotseling thuis verschijn lijkt hij helemaal niet bezorgd of overmatig blij met dit plotselinge weerzien.

‘Wil je nu wat drinken of niet?’ Vraagt hij nogmaals. Euh, ja, lekker, breng maar wat water mee naar buiten. Wanneer hij naar binnen loopt hoor ik nog allerlei rumoer binnen. De tuindeuren zwaaien open en drie kleine mannetjes hollen naar buiten. ‘Tante Rosalie!’ Roepen ze gedrieën uitbundig. ‘Mogen wij bij jouw logeren vandaag?’ Ja natuurlijk, dat mag altijd. Onze drie neefjes zijn ons allergrootste trots. Ons huis is het hunne, dus als zij willen blijven dan mag dat.
Maar waar komen ze ineens vandaan?

Hugo komt naar buiten met een kan water en wat glazen. ‘Marco en Anja zijn er al. Ze zijn wat vroeger, dan kunnen ze nog wat uitrusten voor de barbecue vanavond.’ Hoor ik hem zeggen.
Dat is waar ook. Na dit afgelopen bizarre jaar hebben we besloten een feest te organiseren voor iedereen die ons dierbaar is. Hugo’s broer en zijn gezin kan daarin niet ontbreken. Ze wonen een kleine 200 kilometer verderop, dus logeren ze altijd hier. Ik vind dat heerlijk.

Gevoelsmatig ben ik even een stukje kwijt. Ik herinner me dat we afgesproken hebben een feest te geven en dat we mensen uitgenodigd hebben. Ook weet ik dat iedereen enthousiast aangegeven heeft graag te komen. We hebben slaapplaatsen geregeld voor diegene die niet dezelfde avond nog naar huis kunnen en plannen gemaakt voor een gezellige avond.
Maar ik kan mij niet herinneren dat ik inkopen gedaan heb. Laat staan dat ik het een en ander voorbereid heb.

Hoewel ik blij ben met het weerzien met Hugo en met de jongens en hun ouders, breekt het zweet me nu toch wel een beetje uit bij de gedachte dat ik nog inkopen doen moet en me moet voorbereiden op een feest vanavond. Hugo leest de onrust van mijn gezicht en vraagt wat er is. ‘Ik denk dat ik nog het een en ander moet halen dan.’ Hugo lacht en zegt dat hij denkt dat de koelkast dat er echt niet nog bij hebben kan. ‘Jij wil het altijd iedereen naar de zin maken. Maar ze komen voor ons, je bent je al twee dagen uit aan het sloven. We hebben meer dan genoeg in huis, blijf jij nu maar lekker even zitten. Het komt allemaal goed.’

Vreemd, ik kan me daar werkelijk niks van herinneren. Ik ben blijkbaar de afgelopen dagen druk bezig geweest en ben daardoor waarschijnlijk redelijk onbereikbaar geweest voor mijn man. Hij weet precies hoe ik in elkaar zit, er tegen in gaan heeft weinig zin, dus dan laat hij me maar.
Ik kan me er echter niets van herinneren. Omdat de onrust mij niet loslaat besluit ik toch een kijkje te gaan nemen. Als ik opsta voel ik mijn voeten. Auw dat valt tegen vandaag. In een flits word ik herinnerd aan de sleutel en het het vreemde woud achter in mijn tuin. Ik draai me even om en zie de weelderig ruimte achter in mijn tuin, ‘Ik kan me toch niet voorstellen dat….’

Wanneer ik naar binnen loop open ik direct de grote koelkast in de bijkeuken. Hugo heeft gelijk, afgeladen vol. Aan de inhoud kan ik precies zien wie er allemaal komen vanavond. Rekening houdende met de vleeseters en de niet vleeseters, met kruidenintoleranties en drankvoorkeuren puilt onze koelkast inderdaad uit. Toch loop ik ook even de keuken in. Meteen zie ik dat daar ook alles in orde is. Er liggen een paar vers gebakken broden af te koelen op het aanrecht. En er staan al allerlei hapjes klaar. Ik moet dat vanochtend gedaan hebben, maar ik heb werkelijk geen idee…

Ik besluit het maar te nemen zoals het komt. Gerust loop ik weer naar buiten. Ik ga bij de jongens zitten. Ze spelen een spelletje. Mijn voeten doen nog steeds zeer. ‘Mag ik meedoen?’ Vraag ik hen. ‘Jaaaaa!’ Is het antwoord. Ik krijg de rode poppetjes en een dobbelsteen. Heerlijk die koters om me heen. Lekker dobbelen in de zon. Even nergens aan denken.

Tegen het einde van de middag druppelen er meer mensen binnen. Allemaal lieve vrienden en wat familie. Mensen die mij het afgelopen jaar zo dierbaar geworden zijn en die allemaal hun eigen rol gespeeld hebben. Ziek zijn kost bergen energie, herstellen ook trouwens. Het is heel fijn dat er dan mensen om je heen staan die ondanks alles blijven zien wie je bent en zich niet laten overrompelen door wat je mankeert. Ik ben zo blij dat ik dit nu terug kan geven. Maar die voeten, ik weet niet wat dat is, ik maak me er toch een beetje ongerust over.

Hoe meer mensen er binnenkomen hoe meer ik mij op mijn gemak voel. Ik besluit mijn ongemak even te laten voor wat het is. Ik ga gewoon genieten van vandaag en morgen zien we wel weer verder. Met een inmiddels goed gevulde tuin besluiten we dat het tijd is het vuur te ontsteken. Hugo maakt de barbecue aan en ik begin samen met wat vrienden al allerlei lekkers naar buiten te brengen. Het duurt nog wel even voordat we lekkernijen op de barbecue kunnen leggen, maar er is zo ook genoeg te knabbelen. Dit wordt een heerlijk ontspannen avond, ik voel het aan alles.

<Hoofdstuk 8.                                                                       Hoofdstuk 10>

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *