De sleutel – 6 –

De Sleutel

Als ik wakker word voel ik de warme zon op mijn gezicht. Ik draai me om en voel iets kriebelen aan mijn neus. Als ik mijn ogen opendoe zie ik groen. Alleen maar groen. Ik ga rechtop zitten en kijk om me heen. Het gras om me heen wordt gestreeld door de ochtendzon. Een prachtig stralend groen tapijtje bezaaid met madeliefjes. Ik weet het weer. Gisteren verdwaalde ik in het bosje achter mijn huis, ik heb uren gedoold en de uitweg niet gevonden. Uiteindelijk ben ik op dit gras, in deze prachtige opening midden in het bos ingedut. Ik had geen deken en geen kussen, maar ik heb heerlijk geslapen.

Ik kijk naar mijn voeten en mijn benen. Ze voelen anders dan normaal. Ik voel me uitgerust, maar mijn benen zijn dat niet. Dan herinner ik me mijn hand. Ik open mijn rechterhand en zie de afdruk en de sleutel. Ze zijn er nog steeds. Niet wetende wat ervan te maken ga ik er maar vanuit dat evenals gisteren deze sleutel mij toegang tot mijn benen verschaft maar ook ongemak bezorgt. Honger maakt dat ik weer om mij heen ga kijken. Tot mijn verbazing groeit er van alles in de bodemlaag van dit bos. Ik zie bosaardbeien en bramen, rode bessen en blauwe. Ik kruip richting stuiken en begin ervan te eten. Alles smaakt heerlijk zoet. Lekkerder dan welke bessen ik ooit gegeten heb.
De vogels kwetteren er inmiddels weel lustig op los. Hoewel verdwaald voel ik mij behaaglijk thuis op deze bizarre plek.

Mijn honger gestild probeer ik een plan te maken. Ik weet nog waar ik gisteren vandaan gekomen ben. Maar als ik rondkijk realiseer ik me dat alles er hetzelfde uitziet. Het enige dat ik wel zeker weet is waar de zon nu staat, want die prikt lekker warm door de opening in het dichte bladerdak.

Ik weet hoe de zon dagelijks over ons huis reist. In de ochtend staat de zon aan de voorkant. Dan, rond een uur of tien, piept hij boven ons dak uit en de rest van de dag doet hij zijn best om over onze tuin te manoeuvreren. Gezien de lage stand van de zon en de dauw om me heen denk ik dat het nu rond tienen moet zijn. Als de zon daar staat, dan moet daar ook mijn huis zijn. Ik kan twee dingen doen. Richting zon lopen en dus richting huis. Of juist de zon in de rug houden en hopen zo bij de schutting met de achterburen uit te komen.
Gezien de lange wandeling van gisteren en de temperatuur die maar niet echt zakken wil besluit ik dat het verstandiger is de zon in de rug te houden en koers te zetten naar de schutting. Als ik opsta bemerk ik meteen weer de pijn. Loodzware benen, zeurende voeten. Ik moet door.Ik loop naar de rand van deze open plek en stap voorzichtig aarzelend weer het dichte bos in.

Evenals gisteren sluit het gebladerte zich meteen achter mij. Ik kan onmogelijk meer herleiden waar ik vandaan gekomen ben. Wanneer ik een stap achteruit doe sta ik niet meer op de open plek. Het lijkt wel of de dimensies van ruimte en tijd die ik zo gewoon ben hier niet gelden. Waar ben ik toch terecht gekomen? Wat huist er toch in het bosje achter in mijn tuin?
De vraag of ik me daar op dit moment überhaupt nog wel bevind lijkt niet relevant. Ik heb in deze situatie maar een echte optie en dat is doorgaan, recht vooruit, op zoek naar iets van herkenning.

Hoewel het nog steeds warm is bekruipt mij vanuit mijn binnenste een rilling. Ik schud hem van mij af. Mijn voeten en benen plagen mij sinds ik de sleutel gevonden heb, maar mijn geest is vastberaden en sterker dan ooit. Dus ga ik door, verder en verder dit vreemde woud verkennend.

Dan ineens, dat gevoel. Het gevoel dat er iemand naar mij kijkt. Geen vervelend gevoel. Maar omdat ik graag zou willen weten waar dat toch vandaan komt kijk ik in het rond. Al dat ik zie zijn bomen en struiken. Ik hoor vogels kwetteren en een zacht briesje doet de bladeren ritselen. Niets om mij heen lijkt dit gevoel te kunnen verklaren. Ik kijk nogmaals naar mijn rechterhand. Ik laat de sleutel niet meer los. Of is het de sleutel die mij zo stevig vasthoudt? De afdruk van de sleutel lijkt steeds duidelijker te worden. Het lijkt wel alsof iemand hem met een stempel in mijn palm gedrukt heeft. Het doet geen pijn, maar ik vraag me af waar het vandaan komt of waar het toe dient.

Ik stop met lopen. Neem de sleutel tussen duim en wijsvinger van mijn linkerhand en bestudeer hem grondig. Met de wijsvinger van mijn rechter hand veeg ik hard over het oppervlak. Mijn vinger blijft brandschoon. Er zit geen inkt of olie op. Niets verklaard de afbeelding in mijn rechter palm. Ik probeer hem te buigen of te breken en kras met mijn nagel over het oppervlak. Niets, er gebeurt niets.

Plots een flits, scherp en fel. Ik schrik en laat de sleutel vallen. Zodra hij de grond raakt stoppen alle vogels met zingen. De wind gaat liggen en het woud wordt weer oorverdovend stil. Verbaasd kijk ik enkele tellen om me heen. Dan voel ik mijn benen. Weg is de pijn. Weg is alles. Ze lijken wel van pudding. Ik moet gaan zitten, lopen gaat niet meer.

Zittend op de zachte zompige aarde kijk ik om mij heen. Alles is stil. Kleuren worden feller. Het bos tekent zich af in elk minutieus detail. Mijn concentratie lijkt overuren te draaien. Ik zie de bomen en takken, ik zie de bladeren allemaal afzonderlijk. Elke nerf in elk blad. Elke cel. Ik zie hoe hard ze werken, hoe de sappen stromen. Verbaasd over deze wonderlijke details verschuif ik mijn blik naar beneden. Ik zie bosanemonen en speenkruid. Hun geur komt per molecuul bij me binnen. Hun kleuren heb ik nog nooit zo intens ervaren. Dan zie ik een kleine kruisspin die zijn spinsel inspecteert. Ik zie, ervaar, als nooit tevoren en verwonder mij over al dit moois.

Langzaam daalt het zonlicht en zonder dat ik er erg in heb komt de nacht. Het felle maanlicht verlicht nog steeds dit diepe bos. Ik zie vleermuizen fladderen en hoor hun echokliks. Ik schrik ervan, ineens is er weer geluid. Maar alleen de kliks van de vleermuizen lijken mijn gehoor te kunnen bereiken. De nacht is verder stil.

Ik zie de maan. Groter, feller en duidelijker dan ooit. Mijn ogen lijken telescopen. Ik speur de hemel af op weg naar Andromeda. Daar! Vlakbij Cassiopeia onder de diepste punt van de W. Nog nooit zag ik de nevel zo prachtig mooi aan de hemel staan. Als een pannenkoek tussen alle sterren. Een schijf vol sterrenleven. Liggend op mijn rug tuur ik eindeloos naar boven.

 

<Hoofdstuk 5.                                                                                                             Hoofdstuk 7>

4 thoughts on “De sleutel – 6 –

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *