De Sleutel – 5 –

De Sleutel -Hoofdstuk 5-

Het bosje dat zich door de jaren heen achter het tuinhuisje van mijn man gevormd heeft lijkt ineens mijn bijzondere aandacht te hebben. Als door een ander aangedreven word ik er heen geleid. Mijn benen voelen als lood, mijn voeten alsof ik zojuist de volledige Nijmeegse vierdaagse in een dag heb afgelegd.

Bij de rand van het kleine bosje aangekomen duw ik wat takken opzij en stap ik de koele donkerte van een heus bos binnen. De bladeren en takken achter mij sluiten zich en als ik achterom kijk kan ik niet meer ontdekken waar ik het bos binnenstapte. Ik draai een aantal keer om mijn as en merk dat het gevoel me bekruipt verdwaald te zijn.
Ik schud mijn hoofd. Dat is onmogelijk. Ik stap net door het struikgewas het kleine bosje achter in mijn tuin binnen. Hier kan ik onmogelijk verdwalen!

Wanneer ik een aantal takken aan de kant schuif zie ik echter nog meer takken. Ik herhaal het procédé een aantal keer in verschillende richtingen, maar nergens kan ik het pad dat ik zojuist verlaten had ontdekken. In mijn herinnering heb ik mij nog niet verplaatst en moet ik dus zo uit deze struwelen kunnen stappen. Maar mijn herinnering heeft me de afgelopen dagen al vaker in de steek gelaten. Zo kon ik me niet meer herinneren hoe ik na een lange hete middag vanaf de bank in bed belandde. En dat ik uren op mijn knieën op de grond naast het tuinhuisje gezeten moet hebben lijkt mij ook onvoorstelbaar.

Misschien heb ik toch een paar passen gezet. Met de sleutel nog steeds stevig in mijn rechter hand besluit ik een paar stappen naar links te wagen. Nog meer bomen en struiken, maar geen pad. Nog een paar stappen dan. Ze geven hetzelfde resultaat. Ik bedenk me dat ik niet weet welke richting ik uitloop, maar dat onze tuin niet oneindig groot is. Dus als ik maar dezelfde kant uit blijf lopen dan moet ik uiteindelijk toch of het bosje weer uitlopen of de schutting van de buren tegenkomen. Wanneer dat laatste het geval is kan ik die volgen en vind ik vanzelf ook weer mijn weg uit dit bos.

Mijn voeten doen nog steeds zeer en mijn knieën en heupen voelen stijf. Toch blijf ik gedreven verder lopen. Na een tijdje merk ik dat de drang het bos te verlaten plaats maakt voor nieuwsgierigheid. Ik was hier nooit eerder. Ik herken niets. Maar toch voel ik me er thuis en ik weet niet hoe dat kan. Even blijf ik staan. Ik luister. In de verte meen ik iets te horen. Dan is het stil. De wind. Het ritselen van de bladeren. Het kwetteren van de mezen. Alles is even stil. Voorzichtig zet ik nog een stap. Ik voel een takje onder mijn linkervoet breken, maar ik hoor het niet.

Nog een stap. Geen geritsel, geen gekraak. Geen mezen of muizen. Helemaal niets.
Ik knijp stevig in de sleutel in mijn hand. Alsof ik me eraan vast kan houden, alsof ik hem vertrouw.
Ik zet nog een paar stappen in dit stille woud dat zich als een vacuüm om mij heen gesloten lijkt te hebben. Dan is er ineens een opening. Er vallen een aantal lichtstralen door het bladerdak en de grond is niet meer bossig en klam, maar groen en zacht. Jong gras bestrooid met madeliefjes toont zich aan mij.

Moe en verbaasd stap ik het gras op. Het kietelt aan mijn enkels en lijkt me uit te nodigen plaats te nemen. Ik kniel, plof zuchtend in het zachte gras neer. Mijn voeten en benen lijken hier even te willen pauzeren en ik ben het ditmaal roerend met hen eens. Het gras is uitzonderlijk zacht en comfortabel en moe laat ik me achterovervallen. Met mijn hoofd in het gras kijk ik voor het eerst echt omhoog. Ik zie dat de bomen hier tot in de hemel rijken. Ze zijn prachtig groen. En de zon die door hun open bladerdak schijnt verwarmt mijn gezicht.

Zo rustig, zo vredig, sluit ik mijn ogen. Maar net op dat moment is er dat geluid. Die uil die ik een paar dagen geleden ook gehoord heb. Weer overdag, heel ongewoon. Ik open mijn ogen en speur het bladerdak al liggend in het gras af. Ik kan het dier niet ontdekken terwijl zijn roep mij toch verteld dat het zich dicht bij mij moet bevinden. Nogmaals hoor ik het. Het geluid lijkt dichterbij te komen. Ik ga rechtop zitten en kijk om me heen. Bladeren, struiken, bomen, zover ik kijken kan. Maar van het dier geen enkel spoor.

Nog een keer hoor ik de uil. Maar hoe ik ook speur. Ik vind hem niet.
Ik ben moe. Moet hier al uren aan het dwalen zijn. Het gras is zacht en de avond valt. Ik voel me op een vreemde manier thuis waar ik nu ben. Ik ben niet alleen. Met de sleutel in mijn hand val ik langzaam in slaap.

<Hoofdstuk 4.                                                                                                          Hoofdstuk 6>

4 thoughts on “De Sleutel – 5 –

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *