De jongen en de gemene heks

Heks roerend in haar kookpotErgens hier niet eens zo gek ver vandaan woonde eens een jongen in een stoel. Het was niet zo maar een stoel! Nee het was een stoel met wielen. Vier wielen had hij. Twee grote wielen achter en voor twee kleine. Laten we het maar rolstoel noemen. De jongen was niet geboren met een rolstoel in zijn luiers. Hij kreeg hem pas toen hij heel oud was. Dat zit zo. De jongen liep eens huppelend in het bos. Vrolijk keek hij naar alle mooie kleuren en hij rook er de lekkerste geuren. Het rook elke dag anders. De ene keer rook hij vers gebakken brood, de andere keer rook hij het hout. De jongen was gelukkig en speelde met heel veel leuke en gezellige kinderen om hem heen. Maar dat duurde maar 41 jaar. Toen verging hem het olijk voortbewegen.

Op een dag werd het koud en guur. De jongen was juist bezig met het afronden van het huppelpad in het grote huppelbos toen hij op een donkere, grauwe plek uitkwam. De bomen stonden zo dicht bij elkaar dat hij het bos niet meer zag. Het was er koud en vochtig. Hij huiverde. Het was er naargeestig. Met het kippenvel op zijn hele lichaam ging het huppelen weldra over in het voorzichtig schrijden over de glibberige paden. Plotseling zag hij een afzichtelijk vrouwtje staan dat gebogen stond over een vuurtje. Ze roerde allerlei vreemde ingrediënten in een grote en grauwe pot. Het rook er zo afschuwelijk vies dat de jongen probeerde zijn neus dicht te knijpen omdat zijn maag onwel werd. De oude heks prevelde vreemde woorden: diabetes, type 1, pijn, koud, rolstoel, ziektes, bloed in je ogen, pathie en neuro. De jongen had nog nooit van deze woorden gehoord en wist genoeg.  Voorzichtig sluipend probeerde hij ongezien uit het deprimerende bomenbos weg te sluipen. Hij tilde voetje voor voetje op en vermeed de takken opdat het afstotelijke wicht hem niet op zou merken. Zijn voeten werden steeds zwaarder en steeds warmer. Ze leken wel in de kookpot te hangen, zo warm werden ze. Hij begon te vallen, kreeg een droge mond van de angst en hij zag rare en enge beelden voor zich. 

De gemene heks draaide zich om op de as van haar laarzen en raaskalde onmenselijke geluiden. Hoog en schril stiet zij een afschuwelijke lach het bos in. De jongen probeerde te rennen met alle kracht die hij in zich had maar bleef op zijn plaats bevroren staan. Hij ging geen meter vooruit. Voordat hij met zijn ogen kon knipperen, stond het boosaardige wicht voor hem. “Zo jongeman, wat doe jij hier in het donkere woud?”, krijste het wicht uit. “Jij hoort hier niet te komen” zei de heks. “Jij bent nog jong met een heel leven voor je. Was je nieuwsgierig?” Bang keek de jongen op terwijl hij zijn benen voelde wankelen. Het vrouwmens keek hem onderzoekend aan en lachte zo hard zodat de jongen de stinkende adem rook. “Eigenlijk ben je nog veel te jong”, zei ze niet onvriendelijk. “Maar je hebt geluk! Jij zoekt zingeving, kennis en avonturen. Dat voel ik. Daarom heb ik een geschenk voor je.” De heks sleepte de jongen naar de kolkende kookpot en liet hem het brouwsel zien. “Ik zal je een plezier doen. Ik ga je genoeg tijd geven om over je leuke leven na te denken”. Ze roerde met een lange lepel in de pot. Proefde eens van het brouwsel en knikte goedkeurend. Ze deed haar ogen dicht, staarde naar de volle maan, en zei: “Bij Orion, Leonis, Draconis en Ophiuchi. Maak deze jongen ziek, doodziek”. De jongen zat ineens in een rolstoel en had injectiepennen in zijn hand. De heks knikte tevreden naar haar werk en stelde daarmee haar zieke doelstelling voor deze maand zeker. “En nu wegwezen jij!”, schreeuwde het magere addergebroed. De jongen rolde zo hard als hij kon het enge bos uit en na lang zoeken kwam hij thuis.

Het leven van de jongen werd anders dan hij ooit had meegemaakt. Hij dacht nog vaak terug aan de vreselijke ontmoeting met het parvenu uit het donkere woud. Gelukkig had de jongen een lieve vrouw die goed voor hem zorgde. Wat zou hij zonder haar moeten doen? Gelukkig was de vrouw van de jongen net zo blij met de jongen als voor de tovenarij. De heks had broddelwerk geleverd. De jongen werd, ondanks zijn betovering, niet ongelukkig en vond het leven steeds leuker en aangenamer. Hij speelde met zijn vriendjes en maakt lol voor twee. Toch miste hij een speelmaatje die ook betoverd was. “Dat zou makkelijk zijn”, sprak de jongen op een dag. “Ik heb in alle hoeken van het land gezocht en de kinderen die ik ontmoet zijn wel betoverd maar bij hen was de vloek van de heks wel goed uitgevoerd. Deze kinderen wilden niet meer spelen en waren altijd verdrietig. De jongen dacht bij zich zelf dat hij daar niet blij van werd. Na een lange periode zoeken gaf hij de zoektocht op. “Ik vind nooit meer iemand die en betoverd is en ook zo vrolijk is als ik ben.”, zei de jongen met zucht.

Op een dag diende zich een meisje aan die net als de jongen altijd positief en, ondanks haar zware betovering, gelukkig is. Het meisje schreef wat in zijn toverboek. De jongen werd blij en enthousiast. Haar vrolijkheid was precies als die van hem! Samen gingen ze heel vaak dingen schrijven in elkaars toverboek en maakten elkaar blij. En omdat ze samen betoverd waren schepte dat een mooie band.

Zoals in elk sprookje loopt het altijd goed af, dus daar is hij: ze leefden nog betoverd maar gelukkig verder.

10 thoughts on “De jongen en de gemene heks

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *